Artikels & Filmpjes

Aan zee

Door Ineke Vander Aa

‘Ik wil je de zee laten zien’, zeg ik.

Met boterhammen en snacks vertrekken we. Naar zee. Ik volg mijn gps. Mijn plan. Mijn doel. Dingo volgt mij. Nooit echt wetend waarheen.

Het bijzonderste aan de zee is de lucht. Die eerste stap uit de auto. Zout. Wind. Vis. Wier. Water. Zand. Allemaal in de lucht.

‘Wacht eens even,’ zegt Dingo, ‘wat is dit voor lucht?’

Samen snuiven we. Ik met mijn onnozel bultje tegenover zijn enorme snuit.

Duinen zijn net een andere planeet. Het zand zakt weg onder onze voeten. Stappen gaat trager. Geuren overal. Gekriebel tussen tenen.

‘Kom,’ zeg ik, ‘ik wil je de zee laten zien.’

‘Wacht eens even,’ zegt Dingo, ‘wat is dit voor grond?’

Samen ploeteren we. Ik in mijn stapschoenen. Hij op blote voeten.

Het hoge gras fluistert tegen de wind. Een zwevende meeuw luistert af.

We verschijnen aan de rand van het strand. ‘Kijk,’ zeg ik, ‘de zee.’

Dingo lacht naar de lucht die raast over de zee, dan naar de figuren op het strand. Mensen, honden, paarden.

‘Zal ik hen pakken?!’, hijgt Dingo. ‘Welke dan?! Welke zal ik pakken?!’

Open ruimtes lijken hem nog steeds te herinneren aan oude lessen, toen wij elkaar nog niet kenden en hij nog een carrière bij de politie voor zich had. Met een wilde blik, gespannen kaken en trillende billen concentreert hij zich dan op een figuur, oren gespitst naar mijn instructies.

‘Kijk toch gewoon,’ zeg ik, ‘naar de zee.’

Samen turen we. Ik naar de golven. Dingo naar overal. Misschien zag hij nooit eerder figuren zo in de verte, en vraagt hij zich af waarom ze zo klein zijn. Misschien ruikt hij dat kleine hondje in de verte. Haar geuren reizen met de wind naar Dingo’s neus. Misschien ruikt hij ze allemaal wel. Al die figuren. Tegelijk.

Ik tuur. Dingo ontspant. Langzaam. Hij knippert traag met zijn ogen en beweegt zijn neus in de wind.

Na een poosje fonkelen zijn ogen weer. ‘Kom,’ zegt hij, ‘wat is daar? En daar?’

‘Dat is de zee.’

Het water leeft. Het achtervolgt en rent weg. Tikt tenen aan en vlucht. Het grijnst met een brede glimlach van schuim. Speelt het water? Dat is grappig en griezelig tegelijk.

Kleine vogeltjes rennen langs het water. Ze stelen mosseltjes van elkaar. Schelpen knarsen onder onze voeten. Nat zand kleeft tussen tenen.

De zee is luid. Ik zie het eerst aan Dingo’s platte oren. Dan pas hoor ik het ook. We dwalen verder van de zee en verkennen het strand.

Drie meeuwen staan op een heuveltje. Roddelend kijken ze ons na. Misnoegd.

Dingo ruikt aan pootafdrukken in het zand. Langer aan de lijntjes die een hond in het zand krabde nabij een dode vogel. Aan drolletjes en een verloren schoen.

Ik raap schelpen. Dingo raapt geuren.

Op droog zand gaan we zitten. Ik eerst, hij daarna. Heldere druppels rollen van zijn wiebelende neus over zijn zandsnorretje.

Ik staar naar de horizon en denk: daar is Engeland. Wie zou er leven onder dit bruine wateroppervlak, tussen hier en Engeland? Hoeveel vissen, garnalen, mosselen en zeesterren? Allemaal in deze reusachtige waterkom waarin het zo stil moet zijn.

Ik probeer te kijken naar wat Dingo ruikt, maar zie alleen verre figuren. Een snel bewegend stipje daar, wat een hond moet zijn.

Hier zitten we. Aan zee. Op dezelfde plek. Samen. En toch weer elk in een andere wereld. Ik met mijn herinneringen aan strand en zee. Ik die denk er iets van te begrijpen. Eb en vloed. Engeland, zand en wandelaars. Schelpen en mineralen. Zeemeerminnen.

Dingo met zijn geuren. En dat is alles wat ik er werkelijk over weet.

Samen turen we. Ruiken we. Luisteren we. Voelen we. Proeven we.

Ik toon hem de zee die hij nooit op dezelfde manier zal zien.

Hij toont me geuren die ik nooit zal ruiken.

Samen, aan zee.

De überhond

Door Ineke Vander Aa

‘Ik dacht dat jij van sneeuwhonden hield,’ zei ze, ‘maar toen ik je zag met die Hollandse herder dacht ik “dat past toch niet bij Ineke”.’

Ik lachte.

We hebben allemaal een type waartoe we ons aangetrokken voelen. Ik hou van Duitse herders omdat mijn beste jeugdvriend tot dat ras behoorde. Hun uiterlijk voelt familiair aan. Maar ik hou ook van wolfhonden en husky-achtigen, omdat de liefde van mijn leven een wolfhond was. Mijn man en ik zijn daar heel open over.

Als kind werd ik gebeten door een Dobermann. In mijn latere leven door een Duitse dog. Als ik mijn buikgevoel volg, voel ik me comfortabeler bij andere rassen dan deze. Mechelse herders zaten zo verborgen achter vooroordelen, dat ik me er vroeger onzeker bij voelde. Totdat een Mechelse herderin één van mijn beste vriendinnen werd.

‘Ik hou meer van grote dan van kleine honden,’ zeggen mensen soms. Of omgekeerd. De reden waarom ik vooral met grote honden samenleef, is omdat hun adoptiekansen lager liggen en ze daardoor alvast meer mijn aandacht trekken. Zeker wanneer ze karaktereigenschappen hebben die weinig welkom zijn in onze samenleving.

‘Als trainer mag je geen favorietjes kiezen,’ zei mijn mentor tijdens mijn opleiding. Toch helpen we mensen bij het kiezen van een ras wanneer ze op zoek gaan naar een hond.

‘Wat denk je van dit ras?’ vraagt men dan, met een fotootje van iemands donzig kind dat zopas ergens te koop werd gezet.

Ik vind het een beetje raar allemaal, die hondenrassen. Het doet me steeds denken aan het taboe rond het ideale mensenras. De übermensch. Het voelt ongemakkelijk en tegenintuïtief.

We bestaan allemaal uit een combinatie van genetisch materiaal en een referentiekader aan ervaringen, gedachten en gevoelens. Sommige karaktereigenschappen zijn genetisch bepaald. In hoeverre bepaalde eigenschappen tot uiting komen, hangt af van de genetische cocktail én hoeveel water bepaalde zaadjes krijgen doorheen het leven van een individu.

Dat zijn we tenslotte allemaal. Unieke individuen. Blanke, zwarte en Aziatische individuen. Mannen en vrouwen. Het schijnt dat dat tegenwoordig omstreden woorden zijn om mensen mee te beschrijven.

Duitse herders, Hollandse herders, Mechelse herders. Bobtails, Saarlozen, labradors en andere retrievers. Shih tzu’s en maltezers. Dat vinden we normaal.

Toen ik me openstelde voor een partner, koos ik niet op voorhand bewust een mensenras. Zelfs geen gender. Ik nam de tijd om mensen te leren kennen en ervoer bepaalde aantrekkingskrachten. Vrienden, lieven en vergissingen. Soms voelden we ons thuis bij elkaar en soms niet.

Kan ik dit individu aanvaarden zoals hij of zij is, dacht ik dan, zonder hem of haar daarbij te willen veranderen? Om daarop te kunnen antwoorden, moet je iemand eerst leren kennen. Dat gaat over tijd nemen voor elkaar. Elkaar ernstig nemen als gelijkwaardig individu.

Gisteren had ik iets te vieren en dronk ik net dat glaasje teveel. Je kent dat wel. Half bewusteloos lag ik in bed. Omstreeks vier uur bereikte een zacht gepiep mijn moedergevoel. Het kwam van de benedenverdieping. Wankelend vocht ik met de mouwen van mijn kamerjas.

‘Ik kom!’

Ik strompelde naar beneden waar Dingo de Hollander al naar de deur rende met gespannen billen. Hij moest dringend.

Terwijl hij buiten hurkte, wreef ik in mijn ogen. Hoe kan het toch, dacht ik, dat ik haast niets hoor terwijl ik slaap. Maar één van mijn companen hoeft maar een geluidje te maken en ik ben uit bed. Ongeacht het ras of de soort waartoe ze behoren. Zou ik van een wolfhond meer gehouden hebben dan van Dingo?

Met die Hollander ging ik weer naar binnen. Ik drukte een zoen op zijn warme voorhoofd en wachtte tot hij indommelde alvorens de klim naar boven te beginnen. Onderweg knipperde ik vriendelijk naar de Spaanse straathond die me met slaapogen bekeek.

Boven knipte ik het lichtje uit, en viel ik in slaap op het ritme van Maya’s ademhaling. Een Duitse herderin.

Maar het is waar. Ik hou ook van sneeuwhonden. Ierse wolfshonden, daar kijk ik altijd voor om.

Loslaten

Door Fleur Preckler

Loslaten. 

Ik zit in de tuin. Warme hoodie, tas rooibosthee, favoriete mok dicht tegen me aan, ik blaas geurige theedampen de frisse herfstlucht in. De zon schittert tussen ritselende bomen en ik ruik de geur van natte bosgrond. Mijn honden snuffelen met me mee, al heb ik naar wat zij nog ruiken met hun natte wiebelneusjes alleen maar het raden.

En ik bedenk me dat wij naar zoveel het raden hebben, eigenlijk. Toch? Weten wij veel.

Waarom doen we dat? Waarom die drang om te verklaren, weten, veranderen. Welke verwachtingen willen we ingelost eigenlijk? En van wie verwachten we dan iets. Hoeven wij echt te weten dan?

Ik denk dat het dat is, wat Ineke en ik met elkaar gemeen hebben (bovenop een salopette en een gezonde portie je-m’en-foutisme), wij hoeven niet zozeer te weten. Het voelt als een opluchting, voor ons, dat al dat weten als een last van onze schouders is gevallen.

Want als je niet meer hoeft te weten, dan komt er voelen in de plaats. Dan leven we minder boven onze schouders, net dichter bij onze warme buik. Daar kunnen we voelen, aanvaarden, meegolven, en zijn. 
Daar ontstaat, daar bestaat, onvoorwaardelijk.

En dus moet ik glimlachen, zo boven mijn tas thee, omdat ik het echt bijzonder bevrijdend vind, weet ik veel. 
Ik hoef niet te weten. Ik ben hier gewoon. En de herfstbries wervelt om me heen. 
Ik wervel mee. Luid zingend vaak, soms angstig afwachtend, maar ik wervel mee. 
Ik vertrouw in dat krachtige voelen van mijn warme buik en ik durf te kijken naar de dingen die ik zie. 
Echt zie. Echt voel. Echt hoor.

Zomaar, onvoorwaardelijk, geen verwachtingen. Gewoon, wervelen.

Ik zucht, want hoe breng ik dit dan onder woorden? Hoe maak ik hiervan een advies voor de mensen die ik begeleid?

Een flinke bries waait de laatste hardnekkig vastklampende bladeren van de berk bij de buren, en ook zij laten uiteindelijk los. Ritselend fonkelend dwarrelen ze naar beneden om een heel voorjaar, een hete zomer achter zich te laten. Ze leggen zich neer. In de prachtigste kleuren en met een opluchtende vanzelfsprekendheid wiegen ze zacht en vol vertrouwen richting natte bosgrond. Ze laten los.

Ik laat het los.

Start de dag met Scout’s 10 levenslessen

Of hij ook zo’n mok kon hebben. Daar zou hij zo blij mee zijn. Toen dacht ik: goed dan. Ik stel ze te koop, zodat iedereen ervoor kan kiezen om elke dag te starten met een herinnering aan wat het betekent om te leven. Precies zoals Scout me dat heeft geleerd.

Scout’s 10 Life Lessons:

1. Keep away from cholla cactus

2. When scared, take time

3. When tense, play a game

4. Break the rules when nobody’s watching

5. Fox poop is best rubbed on cheeks

6. Sniff the wind, it’s different every day

7. Always nudge fellas in the crotch

8. Only listen to friendly people, avert the bullies

9. When ignored, bark louder

10. A good howl settles the mind

Misschien heb je deze Scout-mok graag voor jezelf, of maak je er liever iemand anders blij mee. Met de aankoop van deze mok steun je Together Alive vzw. De prijs bedraagt €11,50/ mok, plus €5 verzending. Bestellen doe je met een mailtje naar Ineke@shewolf.be, en dan komt Scout spoedig jouw richting uit.

Alvast bedankt voor je steun!

Tussen de bizons

Door Ineke Vander Aa

Deze foto werd daadwerkelijk daar en op dat moment getrokken.

Enkele jaren geleden werd ik misselijk in een wagen. We kronkelden over de banen van Yellowstone National Park in de VS.

‘Stop,’ zei ik, ‘ik moet eruit.’

Door de ramen had ik niet meer gekeken. Van mijn omgeving was ik me weinig bewust. Het enige wat ik dacht, was: ‘Don’t throw up in the van.’

Mijn begeleider parkeerde en hielp me naar buiten. Daar plantte hij me op een omgevallen boomstronk.

‘Neem je tijd,’ zei hij, ‘maar blijf rustig zitten. Ik blijf hier naast je, tot je beter bent.’

Ik sloot mijn ogen. Na enkele minuten kon ik beter ademen. Pas dan keek ik op van het gras bij mijn voeten.

We zaten daar temidden van een reusachtige kudde bizons. Rondom ons graasden ze. Moeders met hun kalfjes. ‘Red dogs’, worden ze genoemd. Hun groteske bruine lijven bewogen traag door het landschap.

Vermoedelijk had ik er lang genoeg misselijk zitten wezen, waardoor ze hadden besloten dat ik weinig dreiging vormde.

Daar, op die vlakte tussen de prehistorische grazers. Daar, tussen wouden waarin grizzly beren en wolven dwaalden. Daar op die boomstronk, voelde ik me veilig.

Ik herinner me weinig details over de stand van de oren van de bizons, hun staart of andere lichaamssignalen. Een week daarvoor had ik nog nooit een echte bizon gezien. Laat staan een wilde. En toch zat ik daar en hadden we een gesprek. Ik zag wie er nog naïef genoeg was om op een achteloos drafje naar een vriendje te lopen. Wie me in de gaten hield, maar besloot dat ik weinig gevaar vormde. Wie de taak op zich nam om me toch maar niet uit het oog te verliezen. Wie traag zei: ‘blijf jij maar zitten, ik ga wel weg.’

Bizons behoren tot de meest gevaarlijke dieren in Yellowstone. Toeristen benaderen ze te vaak met de intentie om een selfie te nemen met het dier, waardoor ze alleen maar praten en stoppen met luisteren. Dat doen ze totdat de bizon het storende moment met geweld beëindigt. Het is een soort dovemansgesprek dat ik zie terugkeren tussen mensen en honden.

Wanneer je met een telescoop het land afspeurt naar wolven, zou het kunnen dat een kudde bizons je nadert of andersom. Als je dan geen wederzijds gesprek voert, stopt je expeditie daar.

Door het oog van de telescoop zag ik gezinnen van wolven. Vaders die hun kinderen te eten gaven, terwijl ze op uitkijk bleven. Hoe zijn staart stond, maakte eenvoudigweg deel uit van een uniek geheel.

Ik denk dat het nuttig kan zijn om te beseffen dat een kwispelende hond niet altijd blij is. Dat een smakkende en wegkijkende hond zich vermoedelijk ongemakkelijk voelt, en dat grommen een waardevol signaal is dat er meestal toe dient om verdere conflict-escalatie te voorkomen.

Werkelijk in contact treden met elkaar, gaat verder dan signalen afvinken. Dat doe je niet vanuit ‘ik, als mens, weet, interpreteer en verklaar’. Dat kan je alleen vanuit ‘ik, dier onder dieren, voel wanneer ik naar je kijk.’

In workshops over lichaamstaal bij de hond had ik het over het verschil tussen een linker- en een rechterkwispel. Over kalmerende signalen en contextuele verschillen. Wat ik merkte, was een toename in oppervlakkige observaties. Aandacht die verlegd werd naar het zoeken van verklaringen. Opsommingen van zogenaamd onbetwistbare feiten. Minder vragen, meer kennis.

Werkelijk contact schuilt niet in kennis. Het kan de weg ernaartoe openen, maar het kan de weg ernaartoe ook afsluiten.

Werkelijk contact met andere dieren kan geen boekje je leren. Daarvoor moet je van de pedestal stappen die we als mens voor onszelf hebben gebouwd. Zet je voeten op de grond. Dezelfde als die waarop de andere dieren lopen. Kijk ze in de ogen, als je wil. Tel geen lichaamssignalen. Kom uit je hoofd, en daal af in je lichaam. Een lijf waarin bloed stroomt en een hart klopt. Waarin longen ademen. Waarin voer wordt verteerd en waarin emoties sturen.

Dat bedoelde ik, wanneer ik op het Friendly with Dogs-congres zei dat je je boekje met lichaamssignalen mag wegleggen wanneer je naar je hond kijkt en vraagt: ‘Hoe gaat het met jou?’.

Daarvoor hoef je geen derde oog tussen je wenkbrauwen te schilderen. Het enige wat je daadwerkelijk dient te doen, is te zijn. Daar. Op dat moment. Als dier onder dieren.

Wandelen, waarom?

Door Ineke Vander Aa

Je kan dit artikel hier lezen, of luisteren naar deze audio.

De komende minuten hoef je enkel te luisteren naar je gedachten. Je kan de stilte opzoeken en een moment nemen om te vertragen. Neem een pauze waar je gedachten voelt praten, en schep ruimte voor oprechtheid. Niemand anders hoort jouw gedachten, buiten jijzelf.

We staan stil bij de manier waarop we wandelen met onze honden. Dit artikel vervangt namelijk de lezing over wandelen die wegens hedendaagse maatregelen werd geannuleerd. Wat ik die avond wilde vragen, is: ‘Waarom wandel jij?’

Laat die vraag sudderen. Waarom wandel jij met je hond?

Let op de antwoorden die zich bij je aandienen, en hou ze vast.

Als je een beeld hebt gevormd van dat antwoord, stel ik een volgende vraag: ‘Waarom wandelt je hond?’

Let ook op de antwoorden die zich hier bij je aandienen, en hou ze vast.

Als ook deze antwoorden bij je gaar zijn, vraag ik je om terug te denken aan een wandelmoment waar je een wrang gevoel aan overhoudt. Dat zijn meestal de momenten waardoor je terechtkomt op een lezing over wandelen met je hond. Vaak zijn het momenten waarop we ons schaamden. Misschien voelden we ons machteloos en een beetje gefrustreerd. Daar willen we iets aan veranderen, dus contacteren we een hondentrainer en schuimen we lezingen en workshops af op zoek naar dat ene antwoord. Die ene oplossing.

Waar was je op dat moment? Weet je dat nog?

Waar lag jouw aandacht op het moment dat dat wrange gevoel overheerste?

Ik reis enkele jaren terug in de tijd en sta op het voetpad van een dicht bebouwde omgeving met Maya. Ik herinner me haar schorre gehijg terwijl ze de leiband strak trok. Haar blik die glazig overal en nergens naar keek. Haar bijna purperen tong en haar voortdurende gepiep.

Vreselijk, die wandelingen met Maya. Ik moest wel, want we hadden geen tuin. Ze moest plassen. En omdat ze zo overdreven reageerde op haar omgeving, vond ik het noodzakelijk om haar meer te ‘socialiseren’. Tegelijk schaamde ik me dood. Daar liep ik dan: beginnend hondentrainer met die trekkende Duitse Herder die uithaalde naar alles wat te snel of te dicht bewoog. Shoot me now, please.

Ik wandelde omdat Maya moest plassen, en omdat ik het noodzakelijk vond om haar bloot te stellen aan bepaalde prikkels. Ik wandelde doelgericht, en mijn aandacht lag volledig bij Maya’s gedrag en hoe ik dat kon veranderen. Ik voel een steen in mijn maag terwijl ik dit typ.

Ik adem hem weg. Traag. Diep. En roep een herinnering op aan een wandelmoment waaraan ik een fijne herinnering overhoud. Doe rustig mee. Ik kies een middag die niet zo lang geleden plaatsvond. Met Dingo dwaalde ik door een natuurgebied. De stilte overheerste. Van buiten druppelde hij naar binnen. Het wandelpad kronkelde langs groene heuveltjes als in een prentenboek. Verderop lagen wilde grazers te herkauwen. Moeders waakten over hun kalfjes. Traag knipperend keken ze ons na. Dingo trippelde aan de lange lijn. Hij nam een moment om de verhalen te lezen die de koeien in de wind wierpen. Ik stond stil in die volle stilte, en voelde me… gelukkig. Samen. Allemaal anders, en toch even levend.

Mijn aandacht lag bij de totaliteit van de omgeving. Daarin bewogen wij slechts. Hij met voldoende ruimte om zijn ding te doen, ik met voldoende stilte om mijn ding te doen. Hij als hond. Ik als mens.

Ik wandelde niet, maar dwaalde. Ik was eenvoudig. Daar, op dat moment en op die plaats.

Tegenwoordig wandel ik het liefst wanneer ik minstens enkele uren tijd heb. Dan kan ik opgaan in dat dwalen. Kijken waar we zin in hebben. Welke richting kiest hij uit? We hebben tijd om even te zitten hier. Om terug te keren of verder te wandelen naargelang onze goesting.

Kortere wandelingen die wranger aanvoelen, hebben meestal een instrumentele waarde. Dat betekent dat het doel van de activiteit buiten de activiteit ligt. Vanmorgen wandelde ik bijvoorbeeld omdat één van mijn honden duidelijk nood had aan beweging. Ik wandel dan mee omdat we in een maatschappij wonen waar honden niet veilig alleen op stap kunnen. Ik zet de pas erin en kijk elk kwartier naar mijn telefoon. Hoeveel tijd nog? Heeft die ene persoon al teruggebeld? Is dat mailtje al beantwoord? Vooruit, kerel, straks staat m’n volgende afspraak aan de deur.

Wat een waanzin.

Wanneer we een activiteit uitvoeren met een instrumentele waarde, leggen we onze ware aandacht dus eigenlijk op iets buiten de activiteit zelf. Maya moest pipi doen. Mijo moest bewegen. De activiteit zelf wordt dan een soort instrument en soms een obstakel tot het bekomen van een bepaald doel. Je kan bijvoorbeeld bij jezelf nagaan waarom je een douche neemt, waarom je een tas koffie drinkt en waarom je het werk doet dat je doet. Waarom heb je kinderen en waarom lig je ‘s avonds naast die persoon in bed?

Als we teveel activiteiten doen omwille van hun instrumentele waarde, lopen we volgens filosoof Mark Rowlands het risico dat we het gevoel krijgen telkens maar ergens achteraan te hollen. We blijven achter met een gevoel van onvoldoening, omdat we vaker onze aandacht leggen bij het intrument dan dat we het doel werkelijk bereiken. Vervolgens gaan we harder werken aan dat instrument, in de hoop ons doel zo sneller en vaker te bereiken. Het resultaat is een vicieuze en vermoeiende cirkel van doelen najagen. Ondertussen gaat het leven voorbij.

We kunnen activiteiten ook uitvoeren omwille van hun intrinsieke waarde. Dat betekent dat de waarde ervan binnen de activiteit zelf ligt. Het behelst geen extern te behalen doel. Wanneer ik me positioneer voor een les yoga, doe ik dat omdat ik de nood voel om mijn hoofd vrij te maken. Om naar mijn lichaam te luisteren en de rest van de wereld even het zwijgen op te leggen. Dat zijn allemaal externe doelen. Maar eens ik me in de concentratie bevind van een bepaalde pose, ga ik volledig op in het moment. Ik ben vergeten waarom ik hier eigenlijk aan begon, en mijn aandacht ligt volledig bij mezelf binnen de totaliteit van de omgeving.

Zo kunnen we ook wandelen. We kunnen vertrekken met een vage instrumentele waarde, zoals de hoop op het ervaren van rust. Maar we kunnen gaandeweg kiezen waar we de waarde leggen van deze wandeling. Bij een extern doel? Of bij de waarde van het moment zelf? Daar, op die plek en samen met alles wat zich rondom jullie bevindt.

Mark Rowlands schrijft: ‘Alleen intrinsiek waardevolle dingen kunnen aanspraak maken op onze liefde. Een van de belangrijkste taken in het leven is je te omringen met dingen die je liefde waard zijn – en in staat zijn deze dingen te onderscheiden van de dingen die dat niet zijn.’

Een activiteit met een intrinsieke waarde, daarin schuilt gewaarwording. Daarin schuilt die acceptatie van wat is. Daarin lurkt de rust die de ruimte schept om werkelijk samen te zijn. Ieder binnen zijn eigen beleving.

Met deze gedachten laat ik je.

Wandel ze.

Gevoelige honden en prikkels

Eén vraag vindt zijn weg regelmatig naar mijn mailbox: moeten we prikkelgevoelige honden altijd beschermen tegen prikkels? Hebben ze altijd nood aan minder prikkels dan de gemiddelde hond?

IMG_4940.jpg

Als we over hoogsensitiviteit praten met nadruk op de intensiteit waarmee deze individuen prikkels verwerken, dan kan het zo lijken. Zeker wanneer we waarschuwen voor overweldiging en overprikkeling, waaraan deze honden gevoeliger zijn. Het klopt dat deze honden externe prikkels (zintuiglijke informatie) en interne prikkels (honger, te warm of te koud, gevoelens…) intenser en zonder filter ervaren. Alles komt even intens binnen, en de verwerking in de hersenen leidt sneller tot een gevoel van overweldiging. Alsof het brein oververhit geraakt en vuur zal vatten. Dat uit zich in een verhoogde emotionaliteit, waardoor deze honden lijken te overdrijven in hun gedrag. Ze gedragen zich bijvoorbeeld sneller reactief, angstig, agressief of teruggetrokken.

Het is niet verwonderlijk dat we in deze tijden van overanalyseren de neiging hebben om deze honden in een geluidsarme ruimte te stoppen met watjes in hun neus. Om ze te beschermen.

De vraag of prikkelgevoelige honden nood hebben aan bescherming tegen prikkels, kent geen éénduidig antwoord. Net zoals iedere mens uniek is in zijn mogelijkheden, grenzen en noden, is ook iedere hond dat. Er bestaat dus geen vooropgestelde handleiding die voor iedere prikkelgevoelige hond van toepassing is. Dat maakt het allemaal wat tricky.

Er zijn honden die genoeg hebben aan hun voorspelbare thuisomgeving zonder teveel achtergrondgeluid, met een terloops snuffelwandelingetje in de buurt. Een overvloed aan prikkels kan bij deze honden zorgen voor een verhoogde angstgevoeligheid, algemene prikkelbaarheid, of bijvoorbeeld lichaamskwaaltjes ten gevolge van stress.

Er zijn echter ook honden die prikkelgevoelig zijn en dus tijdig nood hebben aan rust voor een gezonde verwerking, maar die tegelijk houden van actie en avontuur. Ze trekken er graag op uit, voelen zich nieuwsgierig aangetrokken door alles wat nieuw is, en gaan een uitdaging niet uit de weg. Het zijn werkelijk avonturiers in hart en ziel, en kunnen zich eerder gaan frustreren wanneer die goesting naar actie niet wordt bevredigd. Ze kunnen rusteloos lijken. Steeds op zoek naar een nieuwe ‘kick’ en tegelijk snel overweldigd zijn ze, wat zich kan uiten in hyperactief gedrag en een verhoogde prikkelbaarheid.

En dan zijn er nog de zieltjes die de wereld graag op eigen tempo zouden leren kennen, maar die telkens in hun schulp kruipen wanneer ze zich weer overweldigd voelen. Wat daarmee?

Wat we kunnen doen, is onszelf eraan herinneren dat het leervermogen daalt zodra de emotionaliteit stijgt. Wanneer we ons overweldigd of overprikkeld voelen, zullen we prikkels minder goed kunnen verwerken en zullen we er dus minder uit leren. We houden er hoogstens het gevoel aan over dat we deze prikkels niet bijzonder fijn vinden.

Daarnaast kunnen we ons openstellen voor de mogelijkheden en grenzen van de hond waarmee we samenleven. Waar ligt die flinterdunne lijn tussen ontdekking en overweldiging? Sommige honden tonen dat ze zich stilaan overweldigd of plots overprikkeld voelen, door zich te proberen terugtrekken. Anderen kunnen zich druk gedragen of reactief uit de hoek komen.

Hoe toont jouw hond dat hij nood heeft aan rust en prikkelverwerking? Dat kan niemand jou vertellen, buiten je hond. Wel kan je samen met een ervaren privé begeleider waarnemen, om voldoende ruimte te creëren om de boodschap van je hond te laten binnenkomen.

Aangekomen bij de nood aan prikkelverwerking is ook dit sterk individueel verschillend. Je kan je de vraag stellen waar en wanneer jouw hond het beste tot rust komt. Sommige honden hebben voldoende aan een korte pauze om daarna weer verder op pad te gaan. Anderen doen liever een dutje binnen hun veilige thuisomgeving. Sommige honden hebben nood aan een stevig slaappatroon om al die dagelijkse prikkels te verwerken, anderen hebben meer aan intermitterende powernaps.

Daar draait het steeds terugkerende zinnetje om in Dogsitief: kijk naar je hond. Iedere hond is op de eerste plaats een uniek en volwaardig individu, net als ieder van ons. Onze rol is die van waarnemer en verzachter. Waarnemen van de initiatieven die je hond neemt en wat hij je daarmee tracht te tonen. Verzachten van omstandigheden zodat je hond kan avonturieren en verwerken binnen zijn unieke mogelijkheden en grenzen.

 

Meer over honden en hoogsensitiviteit kan je terugvinden in het boek Dogsitief dat in 2019 verscheen.

De video-lezing van betreffend boek kan je na inschrijving volgen op 13/09/20.

Ineke

 

 

 

Kijk naar je hond

Door Ineke Vander Aa:

In ‘Dogsitief, de hoogsensitieve hond begrijpen en begeleiden’, moedig ik aan om te kijken naar je hond. Maar wat bedoel ik daar eigenlijk mee?

Vanuit onze kenniscultuur zijn we geneigd om het te begrijpen als een instructie tot observatie met pen en papier bij de hand. Om signalen op te merken met als doel ze te interpreteren. Dat doen we dan zo objectief mogelijk, en soms halen we een boekje erbij dat ons vertelt wat we zien. Terwijl we observeren en interpreteren, proberen we zo weinig mogelijk te beïnvloeden of te antropomorfiseren.

De ironie ligt erin dat onze nabijheid altijd een invloed uitoefent op de beleving van onze honden, dat we vanuit ons mens-zijn altijd ten prooi vallen aan een vorm van antropomorfisme, en dat geen van beiden altijd negatief hoeft te zijn. We kunnen er bijvoorbeeld voor kiezen om op veilig te spelen en er vanuit te gaan dat onze honden wellicht complex voelende en denkende wezens zijn. Op die manier kunnen we rekening houden met hun gevoeligheden, net zoals we graag hebben dat onze familieleden ook rekening houden met onze gevoeligheden. Net zoals wij graag werkelijk worden gezien als het individu dat we zijn: uniek en volwaardig.

Dat bedoel ik met ‘kijken naar je hond’: tijd en ruimte creëren om je aandacht werkelijk te leggen bij je hond, zonder een bepaald doel. Als we bijvoorbeeld signalen willen interpreteren, is de kans groot dat we (onbewust?) een invulling geven die aansluit bij onze verwachtingen én dat we de context uit het oog verliezen. Er gaat dan een heleboel waardevolle informatie verloren.

Als we eenvoudig de tijd nemen om aandacht te hebben voor elkaar, binnen een sfeer waarin ieder individu de ruimte krijgt om zich te uiten, dan beginnen we elkaar werkelijk te zien. We hoeven geen cirkelgesprekken te voeren over de stand van de staart, maar we kunnen kijken naar waar de interesses liggen van de hond. Wat vind hij belangrijk? Waaraan besteed hij meer of minder aandacht?

Of, beter nog, we kunnen ons helemaal geen vragen stellen en eenvoudig samen ‘zijn’.

Wat we ook kunnen doen, is ons openstellen voor duizend vragen zonder de intentie om op iedere vraag één vast antwoord te zoeken. Vragen stellen, sijpelt het bij me door, is waardevoller dan antwoorden bieden. Vragen stellen nodigt ons uit om te blijven denken en te blijven overwegen. Het nodigt ons uit om met onze volste aandacht te blijven kijken naar onze honden, en het biedt hen de ruimte om volwaardig wederzijds te communiceren.

Een voorbeeld: onlangs zei ik tegen David Pithie dat ik de indruk had dat Maya met de leeftijd trager begint te denken.

David antwoordde: ‘Denkt ze traag? Of denkt ze diep?’

… en met dat ene zinnetje kijk ik weer helemaal anders naar onze lieve (en wijze?) Maya.

8fd6863c-2ba2-4f3c-a9c0-68e6807d94a5
Maya de Wijze

 

Mindful?

Door Fleur Preckler:

mindfulness_poster_UK

We zitten samen op de dorpel van de boshut, hij en ik.

We kijken uit over de velden en ik stel me voor dat dit samen kijken, gedachten laten komen en gaan, mijmeren moet zijn. 

Golvend zachtjes mijmeren, toelaten en weer loslaten van niet geordende gedachten en flarden van woorden, ideeën en zinnen.

Ik bedenk dat het wat zou zijn, moest ik alles wat me nu overspoelt kunnen vastleggen. Dat er vast wel ergens een wetenschapper is die hiervoor iets aan het ontwerpen is. Dat het misschien wel de essentie van creatie is, dit toelaten en loslaten van niet geordende gedachten.

Ik neem me voor om straks, wanneer ik rechtsta om een trui te halen want het wordt toch wel fris en ik moet ook nog koken en had ik eigenlijk al hout voor de kachel of.. om straks eerst aan tafel te zitten en alles wat nu bij me opkomt, die flarden, neer te pennen. Dat zou goed zijn ja, dan doe ik er iets mee.

Tegelijk bedenk ik dat het plots niet langer gedachten laten komen en gaan is, wat ik nu doe, en dat hij waarschijnlijk veel rustiger en echter aan het mijmeren is.

Windlezen, zo vertelde iemand mij. Het is windlezen.

Ik moet denken aan die bekende cartoon die circuleert op internet, waarbij je boven mijn hoofd een gedachtenwolkje zou zien met alle duizend en één dingen waar ik nu toch plots mee bezig blijk te zijn. En boven zijn hoofd de gedachtenwolk met daarin gewoon de afbeelding van hij en ik, op de dorpel.

Ik kijk snel en stilletjes uit mijn ooghoek opzij want wil hem niet storen in zijn ‘zijn’ en zie hoe zijn neusje kleine beweginkjes maakt, zijn oogjes zacht, zijn gezichtje ontspannen.

Wat zou hij lezen in de wind? 

Zou hij begrijpen dat ik het ben die van hem leert en niet omgekeerd? Zou hij me vergeven voor alle beperkingen die de drukte van mijn mensenleven hem oplegt? Ik zoek naar een taal die ons verbindt om hem te zeggen dat het me spijt eigenlijk, dat ik zoveel van hem vraag. Hij zal het wel lezen toch, in de wind? Dat ik er voor hem ben maar me zo vaak tekort voel schieten. 

Hij verschuift een beetje, zucht eens diep en laat zijn hoofd vervolgens zachtjes rusten op mijn knie. Hij sluit de ogen. Het is goed, denk ik. Ik leg mijn hand op zijn hoofdje, en schuif een beetje dichter naar hem toe, want het wordt wat frisser, maar die trui, die kan nog even wachten.

Pakwerk? Opinie.

Door Ineke Vander Aa

Nellie_20

Vanmorgen kreeg ik de vraag of ik een vier maanden jonge Amerikaanse Stafford pakwerk kon aanleren. Ik, die het verhaal schreef van ‘Nellie, de hond die niet wist hoe hond te zijn’, een verhaal dat uitnodigt tot stilstaan bij de manier waarop we met honden omgaan.

Vanmiddag wandelde ik voorbij een terrein waar een Mechelse herder aan iemands pakmouw hing, naast een autoritair figuur dat bevelen riep en een groep glimlachende toeschouwers aan de zijlijn. Op de parking klonk vanuit een tiental wagens anticiperend geblaf.

Met mijn strooien hoedje zag ik er misschien als een hippie-achtig, goedgelovig type uit, terwijl mijn Hollandse herder aan een lange lijn liep te snuffelen. Het contrast was onthutsend.

Onze gedachten zijn steeds evoluerende uitvloeisels van o.a. de ervaringen die we hebben gehad. Mijn ideeën kunnen daarom sterk verschillen van die van de glimlachende toeschouwers. Ze hebben zich namelijk gevormd tijdens mijn talrijke ontmoetingen met honden die in opvangcentra terechtkwamen wegens een groeiend veiligheidsrisico. Een factor die ze verontrustend vaak gemeen hadden, was een voorgeschiedenis van pakwerk.

We spreken over wat bepaalde rassen vanuit hun genetische eigenheid ‘nodig hebben’. Over sport, zelfbeheersing, plezier en uitlaatklep.

Misschien vinden sommige honden pakwerk leuk. Dat zou kunnen. Ik kan me er geen beeld bij vormen, omdat ik het nog nooit op die manier heb geïnterpreteerd of ervaren. Mijn idee van plezier ziet er eenvoudig anders uit, en mijn ervaringen met pakwerk speelden zich af in opvangcentra en binnen langdurige trajecten van emotioneel herstel. Sommige verhalen eindigden met een finale zucht wegens een te groot veiligheidsrisico en gebrek aan verantwoorde opvangmogelijkheden. Een ander verhaal vind je in mijn huiskamer, opgelucht omdat geweld niet langer een terugkerende factor is in zijn leven.

Persoonlijk zie ik de noodzaak niet om een hond aan te moedigen tot gewelddadig gedrag. Op die manier plaveien we wegen in de hersenen die alsmaar vlotter begaanbaar worden, waardoor de kans groter wordt dat de hond overgaat tot bepaald gerelateerd gedrag in andere contexten. Een terugkerend argument luidt dat dit eenvoudig niet waar is omdat deze honden steeds ‘onder perfecte appèl’ staan. Het bewijs van tegengestelde ervaringen staat echter in mijn geheugen gegraveerd. Misschien moet ik maar eens lessen pakwerk gaan observeren om het plezier erin te zoeken. En misschien is het een goede deal dat lesgevers pakwerk dan gaan kennismaken met de honden in opvangcentra, en hun vaak uitzichtloze toekomst.

Honden zijn emotionele en denkende wezens, geen te automatiseren machines.

Het is aan ons om stil te staan bij de manier waarop we graag met hen omgaan.

Persoonlijk kies ik ervoor om met mijn honden om te gaan als gelijkwaardige zielen. Met ‘ziel’ bedoel ik een eigen unieke persoonlijkheid met een rijke emotionele beleving en de capaciteit tot zelfstandig denken, waarin veiligheid en verbondenheid centraal staan. En dan bedoel ik verbondenheid op z’n David Pithie’s, niet op de klassieke (en slaafse) hond-baas manier.

Op basis van welke waarden bouwen we onze relatie met elkaar en andere dieren? Een vraag die door iedereen anders zal worden beantwoord, maar die de moeite loont om te laten bezinken.