American dogs

In een Amerikaanse woonwijk wandelt een man met drie honden. Twee grote en één kleine. De man slentert in short en sandalen. De honden snuffelen en slenteren mee. Het is een dure woonwijk. Misschien heeft de man weinig zorgen en veel tijd. Misschien oogt het viertal daardoor kalm en vredig.

Langs een weg in Tennessee liggen honden. Onze auto vertraagt, maar de honden blijven liggen. Met wijze ogen turen ze naar ons. Ik tuur terug en geraak de tel kwijt. Eén van hen graaft in het gras. Anderen vertoeven rond een oude caravan waaraan een Amerikaanse vlag wappert. De schommelstoel is versleten. Ik zoek naar tekenen van ziekte of ondervoeding bij de honden, maar vind er geen. In mijn achteruitkijkspiegel worden ze kleiner. De wijdse heuvels kleuren oranje op de achtergrond.

Op een bankje in een park vraagt mijn vriendin: ‘Heb jij hier al een hond gezien die trekt of uitvalt aan de lijn?’

‘Nee’, antwoord ik. Een labradoodle en Berner wandelen elkaar rustig voorbij, terwijl hun mensen elkaar glimlachend gedag wensen.

‘Ligt het aan de genen, misschien?’

‘Misschien.’

Over het gazon van een sloppenwijk trippelt een hondje naast een kat. Verderop scharrelen kippen. Hun mensen schommelen op hun afgebladerde porch. Er is geen omheining.

In het hart van Washington DC wandelt een meute over het voetpad. Een vuile man met vier honden zonder leiband. Aan het zebrapad blijven ze staan. De honden knipperen naar de zon die door de wolken breekt. Ze steken samen over op het geluidssignaal voor blinden.

In de auto onderweg terug van de luchthaven krijg ik het benauwd. De straten zijn smal en het verkeer is opdringerig. Geluiden botsen tegen elkaar op. Op het voetpad loopt een golden retriever. Hij trekt zo hard aan de lijn dat zijn tong purper kleurt. Zijn ogen lijken zwart en aan de haren op zijn billen zie ik dat hij beeft. Achter hem loopt een gehaaste vrouw wier gezicht gespannen staat in een boos grimas. Ze snokt aan de lijn en roept iets naar de hond.

Later die dag sluit ik het lawaaierige Vlaanderen buiten. Op mijn blote voeten slenter ik met m’n meute door de tuin. Ik loer bedenkelijk naar de omheining en de huizen daarachter. Terwijl de honden vredig windlezen, plant ik bloemetjes. De poes rolt in de aarde en de kippen komen de nieuwe kleuren van dichtbij begluren. Ik kijk op naar de gevel van ons huis, en overweeg om er een Amerikaanse vlag aan te hangen.

Door Ineke Vander Aa

Animal Scribax

Ik zie haar zoeken. Tussen de bladzijden van een boek. Op het scherm van haar nieuwe cursusmateriaal. Doorheen de woorden die anderen spreken. Andere mensen. Altijd maar sprekend. Menend. Denkend. Verklarend. Altijd maar dolend. Tussen herinneringen en gedachten. Tussen het verleden en de toekomst. Tussen wat zou moeten en wat is.

Ze dreigt te vergeten wat ze als kind wist. De poes wist het ook, en de hond. Het was hun geheim. Daarom waren ze zulke vrienden. Maar toen werd ze ouder en kreeg ze lessen. Haar gedachten werden geconditioneerd en geautomatiseerd, net zoals die van haar moeder en die van haar moeder. Op een dag zat ze zo vol gedachten dat ze die gedachten werd. De poes zag het gebeuren, en de hond ook. Langzaam zagen ze haar wegdrijven, en de kloof tussen hen werd steeds groter.

Soms zien ze elkaar nog, het meisje en de hond. Dan vangen ze een glimp op van elkaar, maar kunnen ze elkaar net niet raken. Net niet. Daarvoor lijkt zij ineens te groot te zijn geworden. Ze staat zo hoog nu, dat ze op de hond alleen nog kan neerkijken. Met haar ogen die alleen nog maar gedachten projecteren, en met woorden die de kloof verbreden. Het zijn niet haar woorden. Ze zijn van andere mensen, maar daar is ze zich niet langer van bewust.

Ik zie haar zoeken naar die vriend van vroeger. Toen alles nog eenvoudig was. Toen ze nog weinig wist en veel voelde. Toen ze nog weinig deed en veel was. Maar haar blik is zo troebel nu, dat ze niet kan zien dat hij al die tijd al voor haar stond. Het enige wat ze hoeft te doen, is met die lange benen die kloof over te stappen, en neer te hurken. Dat ze dat eigenlijk kan doen, beseft ze plots. Eén been, en dan het volgende. Hop! Dat hoofd uit die wolken van gedachten en dat hart op gelijke hoogte van haar vriend.

Ze knippert.

‘Waar was jij al die tijd?’ vraagt ze.

‘Hier,’ antwoordt de hond, ‘waar was jij?’

Ik zie het meisje in de meeste vrouwen die over de jaren met me in gesprek gingen over hun hond. Soms is het een jongen, maar altijd zijn ze op zoek. Niet zelden naar zichzelf. De hond neemt hen enkel bij de poot. Eigenlijk zijn alle honden levenscoaches. De ene al wat geduldiger dan de andere. Net daarom is het zo belangrijk om aandacht te hebben voor hen. Werkelijk en vanuit een nieuwsgierige bescheidenheid. Dat is ons als grote mensen echter zo afgeleerd, dat het een proces is om die verwondering terug te vinden.

Laten we de rollen omkeren en aandacht hebben voor wat andere dieren ons leren. We kunnen dat. Al wat we hoeven te doen, is onze lange benen over de kloof zwieren die we zelf hebben gegraven. Wees gerust, die kloof ziet er dieper uit dan hij is.

Om je hierin aan te moedigen starten we met de terugkerende workshop ‘Animal scribax’. Het is eens iets anders en het is iets waar de westerse hondenwereld nood aan heeft. Hier oefenen we onze aandacht te leggen op het Nu. Daarbij creëren we de ruimte om gedachten te laten floreren en stil te staan bij wat we voelen. We oefenen erin om dichter te komen bij onze intuïtie en leren daarbij geconditioneerde opvattingen over honden te ontmaskeren.

Dingo’s notitieboekje

We laten de teugels vrij tijdens zintuiglijke oefeningen en schrijfopdrachtjes* waarin we samen oefenen op werkelijk aanwezig zijn bij onszelf, het moment en de dieren waarmee we samenleven. Er is daarbij voldoende gelegenheid om specifieke vragen te stellen en wie weet, ontmoet je daarna wel een bijzondere geit.

Elke workshop biedt verschillende oefeningetjes aan. Wanneer je je na een eerste deelname thuis voelde, kan je daarna dus opnieuw deelnemen voor een verschillende ervaring.

Voel je je aangetrokken? Je bent niet alleen. Meer en praktische informatie kan je hier terugvinden.

*No worries. Je hoeft je schrijfseltjes met niemand te delen. Ze zijn hélemaal van jou en ze zijn er om je te helpen een beetje dichter te komen bij jezelf en het moment. Chillax.

Door Ineke Vander Aa

Wanneer rusten niet zomaar gaat

Gisteren gaf ik een lezing waarbij ik mezelf vrijliet om ongeremd te praten over hoogsensitiviteit bij mensen en honden. Mijn keel deed er na afloop pijn van, alsof ik had geroepen. Misschien had ik dat ook wel gedaan. Ik weet het niet meer: soms voel ik alleen heel sterk en laat ik maar komen wat komt. Dan heb ik plots een lezing gegeven, een boek geschreven of een haan geschilderd. Gisteren zei ik tegen de deelnemers dat de intensiteit van zo’n ervaring me uitput. Hoewel het een positieve ervaring is, vergt hij veel energie waarvan ik na afloop moet recupereren. Ik zei: ‘Morgen doe ik niks.’

Vandaag plantten mijn man en ik maar liefst honderdtwintig bomen en struiken. Echt waar. Onze wangen kregen een gezonde blos, onze ruggen deden na de middag zeer, en toch bleven we putten graven en bomen planten. Putten graven en bomen planten. Het deed ons zo’n deugd dat ik bij zonsondergang ons terras nog schuurde. Toch was vandaag een rustige dag. Zalig ontspannen. Helemaal in het nu.

Vandaag zat mijn lichaam nog vol opwinding van gisteren. Als iemand me vandaag zou hebben verplicht om stil te zitten, dan zou ik me daar onrustig bij hebben gevoeld. Misschien zou ik wel chagrijnig hebben gereageerd. Mijn lijf moest iets met de opwinding van gisteren, en er is een dunne lijn tussen opgelegde rust en onderdrukking.

Misschien hoeven we rust niet steeds te identificeren met liggen of slapen. Misschien is rust voor iedereen en voor elk moment anders.

Voor mij school de rust vandaag in de aanwezigheid bij het moment. Er waren weinig gedachten over gisteren en weinig gevoelens over morgen. Er was alleen maar nu, zoals er altijd alleen maar nu is. De aarde tussen mijn vingers, de geur van grond in mijn mouwen. De regen in mijn krullen en de zwaai van het oude meneertje met de hond die net voorbij wandelde. Hij was ook in het nu. De echo van kletterende hoorns bij de spelende geiten. De hoge blaf van Maya die vond dat we dichterbij moesten planten. Nu.

De kern van rust ligt niet in vooraf opgestelde behandelingsplannen. De kern van rust ligt niet in een beeld dat wij hebben van hoe rust eruit zou moeten zien. De kern van rust ligt in de vorm waarin hij zich aanbiedt. Het enige wat we moeten doen, is voldoende alert blijven om hem op te merken en ruimte te bieden.

Misschien ligt de kern van rust wel in het laten varen van angsten over de toekomst of schuld over het verleden. De kern van rust ligt niet in de draaikolk van ons verstand. De kern van rust ligt hier, in het nu. Wanneer we anderen (honden of andere dieren) graag helpen met het vinden van rust, dienen we eerst te oefenen in het vinden van rust bij onszelf. Pas wanneer we zelf geoefend zijn in het volledig aanwezig zijn in het moment, kunnen we naar de andere kijken. We kunnen dan werkelijk aandacht schenken aan de andere en vragen: hoe gaat het met jou? Wat heb jij nu nodig?

Als vanzelf zal het antwoord zich dan helder aanbieden in een gevoel. Het antwoord zal niet bestaan uit woorden, diagnoses of doelstellingen. Het antwoord zal niet gaan over morgen of volgende week. Het zal niet gaan over de losloopzone, het kruispunt van het dorp, het bos of de schoolpoort.

Het antwoord zal gaan over Hier en Nu. En laat dat nu net het enige zijn wat we ooit werkelijk hebben. Laat dat nu net het enige zijn wat ooit werkelijk telt.

En nu… kuis ik mijn schop af.

Door Ineke Vander Aa

Nieuw hoofdstuk van Shewolf

Tien jaar lang was het Scout en ik, en samen waren we Shewolf.

Toen Scouts hart in 2019 stilstond en het mijne doorging, voelde dat als een vergissing. Alsof we samen moesten gaan zoals we samen hadden geleefd. Er daalde een stilte over me neer waarin ik wachtte.

De dagen verstreken en met de dagen groeiden de verwachtingen. Verdwaasd pikte ik de draad op waar ik hem had laten vallen. Hij voelde zwaarder nu, en scherper. Anders dan voorheen. Ik sneed mijn vingers eraan, maar merkte pas maanden later dat ik bloedde. Dit keer smakte ik de draad op de grond en schopte ik er aarde over. Wie was ik, als ik in mijn eentje Shewolf niet kon zijn?

Ik kreeg hulp van Fleur. Zij ving mensen op die ik niet kon ondersteunen, en ze deed dat als een zorgzame shewolf.

Inmiddels bleef ik elke dag per ongeluk ontwaken. Zo herhaaldelijk dat ik evengoed kon genieten van die overschot aan dagen. Tussen de poezen in Kattenhotel Chatoo knipperde ik naar het gouden ochtendlicht. Tussen de geiten op het Land van Pan luisterde ik naar de overvliegende ganzen. Als een kind sloeg ik mijn armen om mijn geitenvriend. ‘s Avonds kroop ik tegen de wakende warmte van mijn hondenvriend.

Het besef druppelde bij me binnen dat ik al die tijd niet alleen was geweest. Eigenlijk is niemand ooit echt alleen. Altijd zijn we op een manier samen. Alleen dienen we soms stil genoeg te worden, om dat te kunnen ervaren.

Al die tijd was ik Shewolf. Niet dezelfde als toen, maar altijd veranderend. En zo, langzaam, aarzelend en via kronkelende omwegen, wandelde ik door. Achter me werd het verleden kleiner. Rondom me werd het Nu helderder.

Shewolf, dat is aandacht voor het Nu.

Bedankt, Fleur, om mijn hand vast te houden wanneer het mijn beurt was om te wankelen. Daar ga je dan met je Fauna & Fleur, en ik kan er alleen breed bij glimlachen.

In dit nieuwe hoofdstuk leg ik mijn aandacht primair bij mezelf, mijn gezin en de dieren onder mijn vleugels. Daarnaast laat ik de leiband los binnen verhelderende lezingen en wonderlijke workshops waarbij authentiek leven met jezelf en andere dieren centraal staat. Bovenal zal ik leven. Als opening van dit hoofdstuk nodig je uit om vooral ook dat te doen. Ongeremd en vol verwondering.

Tot gauw, in the flesh,

Ineke

Amy en Maya

Twee meisjes lopen uit de schoolpoort, recht naar hun moeder.

‘Kom meisjes, haast jullie!’ 

Eén van hen vraagt iets. ‘Geen tijd,’ antwoordt mama. ‘Het is al kwart na vier en we moeten nog naar de dansles.’ 

De kinderen hollen mee het voetpad op. 

‘Komaan, Amy!’

Amy blijft staan. Ze kijkt naar Maya, de hond die met mij aan komt gewandeld.

‘Amy! Het is tijd, meisje!’ 

Maar Amy blijft staan. 

Maya snuffelt in het gras en Amy’s mondje valt open. Haar benen jeuken om dichter te komen. Ik kan het bijna zien. 

‘Amy!’ 

Het meisje knippert met haar ogen en draait zich om. Ze rent om haar moeder en zusje in te halen. 

Wat zou er met Amy gebeurd zijn, loop ik te mijmeren, als ze even langer naar Maya had gekeken? Zo lang ze zelf wou. Stel je voor. Een minuutje misschien. Misschien twintig. 

Ik vraag me vaak af hoe de wereld eruit zou zien als we kinderen ruimte zouden geven om hun eigen interesses te cultiveren. Niet de hobby’s of onderwerpen die grote mensen hen opleggen, maar de nieuwsgierigheden die spontaan in hen opkomen. Zoals Amy, die eigenlijk liever wat langer naar Maya had gekeken. 

Misschien wordt Amy later wel een balletdanseres. Misschien danst ze in haar keuken tot ze oud is. Misschien vergeet ze dat ze ooit geïntrigeerd was door een hond. Of misschien verlaat ze haar dansacademie op haar twintigste om een hondenhotel te openen. Wie zal het zeggen.

Ik heb geen kinderen. Bewust kies ik ervoor om mijn dagen te delen met honden en andere dieren. En zo stelde ik me enkele jaren geleden dezelfde vraag over honden. Hoe zou de hondenwereld eruit zien als we honden de ruimte zouden geven om hun eigen interesses te ontdekken? Niet de sporten, trainingen en focus die mensen hen opleggen, maar de nieuwsgierigheden die spontaan in hen opkomen. Sinds toen probeer ik mezelf erop te betrappen wanneer ik hen een bepaalde richting uit wil sturen. Een richting die in mij is geconditioneerd door de manier waarop onze samenleving met honden omgaat. Dat vergt vooral zelfbeheersing. Het is een oefening om hen te laten zijn, zonder hen te willen kneden. Zonder hen te willen controleren. In ruil voor mijn inzet leren de honden mij bewuster omgaan met het Nu. 

De honden snuffelen vooral. Aan de grond, aan de grasjes, aan de bomen, aan de lucht, aan diersporen, aan stront, aan het heden, het verleden en de toekomst. Ze lezen de wind en strekken zich uit in de zon. Ze graven putten waar ik daarna in struikel. Dan komen ze diep hijgend aan mijn kin likken. Ze rollen met een balletje en knagen aan een stok. Ze wrijven hun wangen in vieze geurtjes. Ze doen elkaar pootje lap en blaffen naar de kat van de buren. Ze slenteren, turen, klimmen en avonturieren. Ze eten smakelijk en kwijlen op mijn broek wanneer ik snack in de sofa. Ze zijn lekker hond. 

Ik vraag me af hoeveel honden lekker hond kunnen zijn. 

Hoeveel Maya’s lekker Maya kunnen zijn. 

En ik vraag me af of Amy lekker Amy kan zijn, voordat ze vergeet dat ze ooit Amy was. 

Door Ineke Vander Aa

Over straathonden en bosgeiten

Door Ineke Vander Aa

Gisteren zag ik Safari. Van ver. Ik keek naar haar en zij naar mij. Ze opende haar mond en spreidde haar lippen in de wind die uit mijn richting kwam.

Safari is een geit. Ze leefde in een kudde die generatie op generatie in vrijheid vertoefde, verstopt in de Ardense wildernis. Tot ze werden betrapt en gevangen, en nu zit ze hier. In een opvangcentrum. Al meer dan een jaar.

‘Mensen houden vaak meer van schattige lammetjes en aaibare lieverds,’ zei haar verzorgster, ‘minder van een mensenschuwe, oude geit. De meeste bezoekers merken haar niet eens op.’

Safari krabde aan het grind onder haar hoeven en legde zich neer.

‘Denk je dat ze altijd zo schuw zal blijven?’ vroeg ik. Ik weet niet waarom ik dat vroeg. Om conversatie te maken, misschien.

‘Goh. Ze komt uit een kudde die al generaties zonder menselijk contact leeft, dus het is normaal dat ze eerder andere geiten opzoekt dan mensen. Maar ik vind niet dat we daar te snel over mogen oordelen. Mensen verwachten vaak teveel. Ze leggen teveel druk op zulke dieren. Ik zorg ervoor dat haar omgeving zo comfortabel mogelijk is voor haar. Dat ze altijd afstand kan nemen van mensen, dat er altijd voedsel is, dat ze rustig slaapt, dat ze vrienden heeft, en ik… Ik ben er eigenlijk gewoon. Tegenwoordig komt ze dicht in m’n buurt terwijl ik het voer aanvul. Dat is toch al heel mooi.’

Lap, ik kreeg al tranen in mijn ogen. Dat zag ze niet achter mijn zonnebril. Waarom hebben mensen overigens de neiging om tranen te verstoppen?

Ik dacht aan Mijo, de straathond waar we de voorgeschiedenis nooit echt van zullen kennen. Afgeschreven. ‘Geen ontwikkeling meer mogelijk’.

Hij kuiert door de tuin terwijl ik dit schrijf. Hier komt hij, naar binnen, want het wordt te warm buiten. Er was een tijd waarin dat niet vanzelfsprekend was: naar binnen komen.

Ik dacht aan Tapas en moest een beetje lachen, omdat ze zo gewend was aan vrij rondlopen dat ze het concept van een omheining niet begreep. Ooit, ergens in Frankrijk, klikte ik haar leiband vast aan Scout. ‘Jouw beurt om op haar te letten terwijl ik een douche neem’, zei ik. Hij zuchtte en legde zich demonstratief neer, waarna Tapas de leiband stuk knaagde. Even later holde ik naar buiten met natte haren en een veeg zeep op mijn wang, en plukte ik Tapas uit een veld.

Ik dacht aan Myszka, de Roemeense straathond die urenlange tochten maakt met haar even eigenzinnige mensenmaatje.

Ik dacht aan Rex, de Mexicaanse strandhond die met me meeging op restaurant. We deelden een pizza en brachten de rest van de week samen door. Stiekem liet ik hem binnen in het strandhuisje, en voor ik vertrok borstelde ik de vlooien eruit. Rex verdween in mijn achteruitkijkspiegel, verdwaasd op het junglepad. Enkele maanden later verongelukte hij in het verkeer. Ik zal me altijd afvragen of ik hem niet beter had meegenomen.

Ik dacht aan Dino met één van de meest toegewijde hondenmoeders die ik ooit heb gekend. En Mia, die met haar mensenbroertjes over het Vlaamse strand rende. Om het hardst!

Maar ik dacht ook aan Nala die ervoer dat vluchten van mensen niet meer kon, en dus begon ze te bijten. Nala kan nu niet meer vluchten, maar ook niet meer bijten.

Ik dacht aan Milo en Spike, en mijn keel kneep dicht.

Rondom Safari verzamelden andere geiten die hier mensennamen kregen. Wantrouwig tuurden ze naar onze geuren.

‘Ik geef haar graag een kans,’ zei ik, ‘maar dan neem ik haar vrienden ook graag mee.’

Nu kreeg de verzorgster tranen in haar ogen.

‘Danku,’ mompelde ze, ‘ik denk dat je ze ooit uit je hand zou kunnen voederen.’

Ik glimlachte omdat ik de ervaringen met potentiële adoptanten herkende, die haar dit lieten zeggen.

‘Ik zou het al fijn vinden om hen de kans te geven om zichzelf te kunnen zijn. Over al de rest komen alle oordelen te vroeg.’

In een stilte van wederzijds begrip keken de verzorgster en ik naar de geiten. Safari rolde over het grind en we lachten. Luidop.

Het was niet eens zo grappig.

Je bent er

Door Ineke Vander Aa

Je bent er.

Je ademt. Je hart klopt en je poten zijn warm.

Soms blaf je wat langer op Flinn van de buren en laat ik me daardoor opjutten. Dan vergeet ik even dat je er bent en ben ik er zelf even niet.

Je bent er. Met de vertrouwde coupletten van de liederen die je blaft, en het nauwkeurige rondje dat je met je lippen maakt wanneer je huilt. Als een wolvin.

Toen je nog niet grijs was, werd ik soms boos op jou. Omdat je trok omdat je blafte omdat je hapte. Omdat ik nog niet besefte dat je er was en nog niet wist hoe te zijn.

Maar je bent er.

Dochter, vriendin, levensgezellin. Liefde van zijn leven.

Je kijkt naar mij met die ogen waarachter gevoelens en gedachten leven die alleen jij kan voelen en denken. Vanuit onze eigen werelden kijken we naar elkaar. Daar, ergens tussenin, vinden we elkaar. Daar waar meer voelen heerst dan weten.

Misschien is voelen wel weten.

Je bent er.

Wat meer kan ik verlangen of verwachten dan dat je er bent?

En als ik daar toch aan ten prooi val, waar ben ik dan?

Je bent er.

En nu wil ik er gewoon met je zijn.

Dankzij de hond van Joe

Door Fleur Preckler

Ik moet er iets over schrijven. Een moment om aan te grijpen, toch?

Moet ik, als trouwe voorvechter van al die arme Mechelaars, het verhaal van de asielhond in het Witte Huis niet pakken om een boodschap in de wereld te zetten en is het bovendien niet nuttig om… knoop in m’n maag.

Ik lik onrustig m’n lippen, krab even in mijn haar en zucht eens diep. 

Wordt dat niet verwacht? Het moet goed zijn, dat wel. Beter dan gemiddeld he Fleur, altijd beter dan gemiddeld. Hijg hijg. Mijn spieren voelen gespannen. Ik knaag nog wat obsessief verder op het potlood in m’n mond, maar kalmeren doet het niet. 

President Joe Biden poses with the Biden family dogs Champ and Major Tuesday, Feb. 9, 2021, in the Oval Office of the White House. (Official White House Photo by Adam Schultz)

Geen inspiratie. Stress. Kaaklijn gespannen, ogen wijd. Gewoon wat scrollen door Google dan, over Mechelaars enzo. Ergens lees ik: will to please.

Eek. Knoop in m’n maag. Ik laat m’n gedachten mee wervelen met de voorjaarsstorm.  Hoe komt het toch dat net de Mechelaars mij zo diep raken? Dat die begeleidingstrajecten altijd zo stevig op me inhakken?

Ratio: 1 huisbezoek – 1 dag bekomen op de zetel. 

Helemaal ondersteboven ben ik ervan. Wanhopig, diep intriest en vol van liefde.

Will to please lees ik opnieuw. En plots begint het me te dagen… 

Will to please… Potdikke. De term waar mijn hele wezen zo van gruwelt. Oh god.

Fleur en de Mechelaars. Het is vast omdat ze zoveel van de kleine Fleur van toen omvatten, dat het mij zo raakt. Wij hebben wel wat gemeen, besef ik erg verlegen.

Dat gaat zo:

Wij hebben van jongs af aan onszelf geleerd dat wie wij zijn en hoe wij ons voelen afhangt van de emoties en indrukken rondom ons. Onze identiteit wordt bepaald door de verwachtingen die wij invullen. Onze missie is feilloos anticiperen op wat men van ons verlangt. Ons doel is die verwachting zo snel mogelijk en beter dan gemiddeld in te lossen.

Wij vullen in, dus we zijn. Elke keer dat ons dat lukt geeft een vals gevoel van veiligheid. Will to please. We hebben blij gemaakt, we hebben vervuld.

Wie wij zelf zijn? Wat wij nodig hebben? Het komt niet in ons op om daar bij stil te staan.

Die manier van in het leven staan, vergt best wat energie.

Voortdurend alert, altijd high on energy. Voortdurend klaar om onmiddellijk in de houding te springen. “Sir Yes Sir, your wish is my command!”

We worden beschouwd door onze omgeving als erg actief. Een beetje gek, altijd zo hyper en aanwezig. Het luidst lachend, het individu in de ruimte waarvan iedereen inschat; zij is de sterkste. Maar diep van binnen net de meest onzekere. Altijd onrustig aan het rondkijken; wat wordt hier van mij verwacht, wat moet ik doen om te scoren. Nooit met aandacht voor onszelf. 

Vermoeiende positie, niet vol te houden. Frustrerend. Woede en agressie volgen als uitlaatklep, als reactie. Reactie op veel diepere emoties; wanhoop, onbegrip, diepe eenzaamheid en vervreemding van onszelf. Oerangst om de kernvragen waar we geen antwoord op vinden: Wie ben ik? Welke ruimte mag ik innemen? Heb ik recht om te zijn?

Ach, die hond van Joe…

Ik beet niet in ‘mijn eigenaren’. Nee. Ik gooide met fruitschalen en pas gebouwde dure lego constructies door de kamer, borden tegen de vloer. Razen en tieren, wild om me heen slaan. Grommen, blaffen, wild opspringen. Out of control. En nadien zo moe. Zo ontzettend ellendig moe.

Een driftbui, zeiden ze.

Ik ging zo maar door. Razend tempo, pijlsnel invullend voor anderen, beter dan gemiddeld. Scoren. Presteren. Anticiperen. Inlossen.  

High on achievement and a strong will to please, zo had mijn karakter beschreven gestaan op de website van het asiel waar ik keer na keer opnieuw beland zou zijn. Foto erbij; ogen wijd, tong kersenrood, ongemakkelijke Joker-glimlach, spieren gespannen.

Een echte werker, he.

Ja ja, dat zeker. Af en toe sneuvelde er wel eens een voorwerp. Of werd het rood voor mijn ogen en brulde ik tegen een volstrekt onbekende op straat.  Trillend op mijn benen, het schuim net niet op de lippen. Was ik toen aangelijnd met stropketting, ik had hevig in de lijn gehangen. Hou mij maar eens tegen. Ik stormram. Ik wervelwind! 

Ik had de strop niet eens gevoeld. Rode waas. Hijg hijg.

’t Is wel een hevige he. Zo veel energie.

Yeah. Sure. Tot op een dag het licht uit ging. Wake up call, zeggen ze dan.

Omringd met mensen  die me echt zagen, had ik het geluk te leren wat echt veilig was. Ik heb geleerd rust te vinden, grenzen te zetten, te leren wie ik ben. Wat is ruis van een ander? Wat is van jezelf? Maak het onderscheid, leer begrenzen, wees mild. Bescherm jezelf. Wat heb JIJ nodig? Hoe gaat het met jou? 

Hoe gaat het met de hond van Joe?

Mijn emmertje liep weer een beetje leeg. Hè hè. 

De fruitschaal staat nu al een aantal jaar rustig op de keukentafel. Ik val niet meer uit naar onbekenden. Over het algemeen zou men mij als stabiel kunnen benoemen. Ja, van zeer reactief en met sterk uitvalgedrag een paar jaar terug, ben ik best geëvolueerd tot brave gezinshond, denk ik dan. 

Ik grinnik.

Zelfrelativeren is een vorm van intelligentie, zei iemand me deze week. Dat vond ik interessant. Is dat zo? Ik kijk even op van mijn schrijfsels en merk hoe Yello als een moederlijke krijger dicht bij mij is komen zitten. Streng wakend, haar broertjes op afstand houdend, alsof ze aanvoelt dat ik emotioneel ben, nood heb aan rust en steun. Ze kijkt naar me op en haar blik verzacht, ze likt eens aan haar lippen en hervat haar post als echte Shewolf, wijs wakend aan mijn zijde. Ik slik iets weg en leg mijn hand op haar schouderbladen. Intelligentie, denk ik. Het is me wat. 

Dat is Shewolf

Door Ineke Vander Aa

Zo’n twaalf jaar geleden ontstond Shewolf ergens in de Sonorawoestijn van Arizona. Tussen de wolf- en asielhonden zwierf ze, zoekend naar een weg tussen de paden die anderen al hadden vrijgemaakt. Ze wandelde door boeken en zwom door cursussen. Ze doorkruiste het land van hondentraining en nam de toeristische route langs methodes en technieken.

Eerst werd ze trainer, daarna gedragstherapeute. Coach, in een continent van vragen, antwoorden, problemen, oplossingen, aandoeningen, ziekten, doelstellingen, verwachtingen. Behandelingen en gedragsmedicatie. Ondersteunende middelen. Norm heette dat werelddeel, en de mensen praatten er Normaal.

Gaandeweg werd het geritsel in de struiken luider. Daar, in de wildernis langs dat vrijgemaakte pad. Vorige lente bleef Shewolf staan. Wat was dat toch, dat geluid? Er woelde iets grijs daar, tussen de bomen. Iets herkenbaar wolfachtigs.

Ergens onderweg verliet Shewolf het pad. Het continent. Het land. In de sporen van de hond loopt ze nu, de hond die haar uit een lange slaap wekte in de Sonorawoestijn. Norm is een herinnering. Normaal slechts een taal. Ze is Shewolf, dier onder dieren.

Shewolf, dat is moederlijke zorgzaamheid. Dat is ondersteuning bieden op een manier die trouw is aan de verlener en ontvanger. Shewolf, dat is lezen, schrijven, filosoferen en fantaseren. Dat is samenkomen. Luisteren en luchten. Leven, vooral.

Shewolf, dat is van het pad af.

Ineke Vander Aa kijkt ernaar uit om op regelmaat binnen gezellige kring samen te komen om te luisteren, te praten, te filosoferen en te waarderen… wanneer het allemaal weer mag.

Fleur Preckler verzorgt binnen Shewolf privé ondersteuning voor mensen die moeilijkheden ervaren bij het samenleven met honden. Meer info via Team.

Dun ijs

Door Ineke Vander Aa

In de gang staat hij, met ronde ogen vol verlangen.

‘Goed dan.’

Ik trek mijn thermisch ondergoed aan, mijn muts en Yellowstone-wanten.

De lucht is dun en koud. Kleine vlokjes prikkelen mijn wangen.

‘Voorzichtig’, zeg ik.

Geuren hebben kleuren en vormen vandaag. Het felle geel van het hondje op de hoek. De ovaaltjes van een konijn over het pad.

‘Voorzichtig!’ roep ik.

Krak. Een dun laagje ijs breekt en ik trek net op tijd mijn voet uit het water. Zwiep! Hij is net Bambi op het ijs. Grijnzend trippelt hij naar me terug.

Het voetpad is koud en de straat prikt. Een bries waait een ijzige mist van een wagen. Het kleeft in onze wimpers. We knipperen naar de grauwe lucht die tegelijk fel is. Alsof er een blauwige schijn in onze ogen priemt. Ondertussen stappen we.

Waar hij anders snuffelend langs me kuiert, snokt hij nu van struik naar paal.

‘Voorzichtig’, zeg ik.

Zwits! Mijn voeten schuiven en ik graai naar evenwicht. Zo belachelijk, die twee voeten! Had ik er maar vier! ‘Voorzichtig, zeg ik!’

Met een frons stap ik verder. Brede stappen op berekende plekken. Onderweg dwaalt de kapotte deur door mijn gedachten, die moet worden vervangen. De rekeningen die ik vanmorgen heb betaald. De poort die ik op een tweedehandssite zag. Onze oudste geit in haar stalletje vol stro. Hoe lang vriest het nog?

Zwiep, zwoesh! ‘Voorzichtig!’

Pets, zijn bil op het ijs. Kratsh kratsh, mijn voeten op de berm. Ik brom iets en met platte oren houdt hij zich in. Korte, stijve stappen zet hij nu.

‘Jij wilde gaan wandelen, he.’ Zodra ik het zeg, spreek ik mezelf tegen. Bij wie leg jij nu de verantwoordelijkheid? Jij kan de gevaren toch veel beter inschatten. Hij kan het niet helpen dat hij in een omgeving leeft waarin hij steeds aan die leiband moet. Die irritante, begrenzende leiband. Die snokkende zwep plets, ‘whoah!’.

Thuis lopen we meteen door naar de tuin. De andere honden volgen. Sneeuw vliegt op terwijl ze galopperen. Bruine kwakken pletsen op het wit.

Iemand knaagt aan een stuk ijs. Iemand anders snuffelt aan geuren met kleuren. Nog iemand legt zich neer alsof haar buik altijd op ijs ligt. Ik sta wat onhandig te wiebelen en veeg mijn neus droog.

Een geit mekkert vanuit zijn stal. Ik kijk naar hem om. Hij knippert met zijn lange wimpers.

‘Waar ben je?’ vraagt hij.

Dan pas voel ik het. Mijn opgetrokken schouders. Stijve buik. Oppervlakkige ademhaling. De frons die er nog steeds zit.

Dan pas zie ik het. De kalme lucht over de besneeuwde takken. De sereniteit ervan herinnert me aan haar. Haar gemis zit in mijn maag. Nog steeds.

Dan pas hoor ik het. Het zachte gesnuffel achter me. De enkele roep van een kraai. Een pimpelmeesje, ergens. Een glimp van Stilte.

Iemand leunt tegen mijn been. Zijn lichaam is warm tegen het mijne. Samen knipperen we naar gedachten in de lucht.

‘Hier,’ antwoord ik, ‘ik ben hier.’