Dankzij de hond van Joe

Door Fleur Preckler

Ik moet er iets over schrijven. Een moment om aan te grijpen, toch?

Moet ik, als trouwe voorvechter van al die arme Mechelaars, het verhaal van de asielhond in het Witte Huis niet pakken om een boodschap in de wereld te zetten en is het bovendien niet nuttig om… knoop in m’n maag.

Ik lik onrustig m’n lippen, krab even in mijn haar en zucht eens diep. 

Wordt dat niet verwacht? Het moet goed zijn, dat wel. Beter dan gemiddeld he Fleur, altijd beter dan gemiddeld. Hijg hijg. Mijn spieren voelen gespannen. Ik knaag nog wat obsessief verder op het potlood in m’n mond, maar kalmeren doet het niet. 

President Joe Biden poses with the Biden family dogs Champ and Major Tuesday, Feb. 9, 2021, in the Oval Office of the White House. (Official White House Photo by Adam Schultz)

Geen inspiratie. Stress. Kaaklijn gespannen, ogen wijd. Gewoon wat scrollen door Google dan, over Mechelaars enzo. Ergens lees ik: will to please.

Eek. Knoop in m’n maag. Ik laat m’n gedachten mee wervelen met de voorjaarsstorm.  Hoe komt het toch dat net de Mechelaars mij zo diep raken? Dat die begeleidingstrajecten altijd zo stevig op me inhakken?

Ratio: 1 huisbezoek – 1 dag bekomen op de zetel. 

Helemaal ondersteboven ben ik ervan. Wanhopig, diep intriest en vol van liefde.

Will to please lees ik opnieuw. En plots begint het me te dagen… 

Will to please… Potdikke. De term waar mijn hele wezen zo van gruwelt. Oh god.

Fleur en de Mechelaars. Het is vast omdat ze zoveel van de kleine Fleur van toen omvatten, dat het mij zo raakt. Wij hebben wel wat gemeen, besef ik erg verlegen.

Dat gaat zo:

Wij hebben van jongs af aan onszelf geleerd dat wie wij zijn en hoe wij ons voelen afhangt van de emoties en indrukken rondom ons. Onze identiteit wordt bepaald door de verwachtingen die wij invullen. Onze missie is feilloos anticiperen op wat men van ons verlangt. Ons doel is die verwachting zo snel mogelijk en beter dan gemiddeld in te lossen.

Wij vullen in, dus we zijn. Elke keer dat ons dat lukt geeft een vals gevoel van veiligheid. Will to please. We hebben blij gemaakt, we hebben vervuld.

Wie wij zelf zijn? Wat wij nodig hebben? Het komt niet in ons op om daar bij stil te staan.

Die manier van in het leven staan, vergt best wat energie.

Voortdurend alert, altijd high on energy. Voortdurend klaar om onmiddellijk in de houding te springen. “Sir Yes Sir, your wish is my command!”

We worden beschouwd door onze omgeving als erg actief. Een beetje gek, altijd zo hyper en aanwezig. Het luidst lachend, het individu in de ruimte waarvan iedereen inschat; zij is de sterkste. Maar diep van binnen net de meest onzekere. Altijd onrustig aan het rondkijken; wat wordt hier van mij verwacht, wat moet ik doen om te scoren. Nooit met aandacht voor onszelf. 

Vermoeiende positie, niet vol te houden. Frustrerend. Woede en agressie volgen als uitlaatklep, als reactie. Reactie op veel diepere emoties; wanhoop, onbegrip, diepe eenzaamheid en vervreemding van onszelf. Oerangst om de kernvragen waar we geen antwoord op vinden: Wie ben ik? Welke ruimte mag ik innemen? Heb ik recht om te zijn?

Ach, die hond van Joe…

Ik beet niet in ‘mijn eigenaren’. Nee. Ik gooide met fruitschalen en pas gebouwde dure lego constructies door de kamer, borden tegen de vloer. Razen en tieren, wild om me heen slaan. Grommen, blaffen, wild opspringen. Out of control. En nadien zo moe. Zo ontzettend ellendig moe.

Een driftbui, zeiden ze.

Ik ging zo maar door. Razend tempo, pijlsnel invullend voor anderen, beter dan gemiddeld. Scoren. Presteren. Anticiperen. Inlossen.  

High on achievement and a strong will to please, zo had mijn karakter beschreven gestaan op de website van het asiel waar ik keer na keer opnieuw beland zou zijn. Foto erbij; ogen wijd, tong kersenrood, ongemakkelijke Joker-glimlach, spieren gespannen.

Een echte werker, he.

Ja ja, dat zeker. Af en toe sneuvelde er wel eens een voorwerp. Of werd het rood voor mijn ogen en brulde ik tegen een volstrekt onbekende op straat.  Trillend op mijn benen, het schuim net niet op de lippen. Was ik toen aangelijnd met stropketting, ik had hevig in de lijn gehangen. Hou mij maar eens tegen. Ik stormram. Ik wervelwind! 

Ik had de strop niet eens gevoeld. Rode waas. Hijg hijg.

’t Is wel een hevige he. Zo veel energie.

Yeah. Sure. Tot op een dag het licht uit ging. Wake up call, zeggen ze dan.

Omringd met mensen  die me echt zagen, had ik het geluk te leren wat echt veilig was. Ik heb geleerd rust te vinden, grenzen te zetten, te leren wie ik ben. Wat is ruis van een ander? Wat is van jezelf? Maak het onderscheid, leer begrenzen, wees mild. Bescherm jezelf. Wat heb JIJ nodig? Hoe gaat het met jou? 

Hoe gaat het met de hond van Joe?

Mijn emmertje liep weer een beetje leeg. Hè hè. 

De fruitschaal staat nu al een aantal jaar rustig op de keukentafel. Ik val niet meer uit naar onbekenden. Over het algemeen zou men mij als stabiel kunnen benoemen. Ja, van zeer reactief en met sterk uitvalgedrag een paar jaar terug, ben ik best geëvolueerd tot brave gezinshond, denk ik dan. 

Ik grinnik.

Zelfrelativeren is een vorm van intelligentie, zei iemand me deze week. Dat vond ik interessant. Is dat zo? Ik kijk even op van mijn schrijfsels en merk hoe Yello als een moederlijke krijger dicht bij mij is komen zitten. Streng wakend, haar broertjes op afstand houdend, alsof ze aanvoelt dat ik emotioneel ben, nood heb aan rust en steun. Ze kijkt naar me op en haar blik verzacht, ze likt eens aan haar lippen en hervat haar post als echte Shewolf, wijs wakend aan mijn zijde. Ik slik iets weg en leg mijn hand op haar schouderbladen. Intelligentie, denk ik. Het is me wat. 

Dat is Shewolf

Door Ineke Vander Aa

Zo’n twaalf jaar geleden ontstond Shewolf ergens in de Sonorawoestijn van Arizona. Tussen de wolf- en asielhonden zwierf ze, zoekend naar een weg tussen de paden die anderen al hadden vrijgemaakt. Ze wandelde door boeken en zwom door cursussen. Ze doorkruiste het land van hondentraining en nam de toeristische route langs methodes en technieken.

Eerst werd ze trainer, daarna gedragstherapeute. Coach, in een continent van vragen, antwoorden, problemen, oplossingen, aandoeningen, ziekten, doelstellingen, verwachtingen. Behandelingen en gedragsmedicatie. Ondersteunende middelen. Norm heette dat werelddeel, en de mensen praatten er Normaal.

Gaandeweg werd het geritsel in de struiken luider. Daar, in de wildernis langs dat vrijgemaakte pad. Vorige lente bleef Shewolf staan. Wat was dat toch, dat geluid? Er woelde iets grijs daar, tussen de bomen. Iets herkenbaar wolfachtigs.

Ergens onderweg verliet Shewolf het pad. Het continent. Het land. In de sporen van de hond loopt ze nu, de hond die haar uit een lange slaap wekte in de Sonorawoestijn. Norm is een herinnering. Normaal slechts een taal. Ze is Shewolf, dier onder dieren.

Shewolf, dat is moederlijke zorgzaamheid. Dat is ondersteuning bieden op een manier die trouw is aan de verlener en ontvanger. Shewolf, dat is lezen, schrijven, filosoferen en fantaseren. Dat is samenkomen. Luisteren en luchten. Leven, vooral.

Shewolf, dat is van het pad af.

Ineke Vander Aa kijkt ernaar uit om op regelmaat binnen gezellige kring samen te komen om te luisteren, te praten, te filosoferen en te waarderen… wanneer het allemaal weer mag.

Fleur Preckler verzorgt binnen Shewolf privé ondersteuning voor mensen die moeilijkheden ervaren bij het samenleven met honden. Meer info via Team.

Dun ijs

Door Ineke Vander Aa

In de gang staat hij, met ronde ogen vol verlangen.

‘Goed dan.’

Ik trek mijn thermisch ondergoed aan, mijn muts en Yellowstone-wanten.

De lucht is dun en koud. Kleine vlokjes prikkelen mijn wangen.

‘Voorzichtig’, zeg ik.

Geuren hebben kleuren en vormen vandaag. Het felle geel van het hondje op de hoek. De ovaaltjes van een konijn over het pad.

‘Voorzichtig!’ roep ik.

Krak. Een dun laagje ijs breekt en ik trek net op tijd mijn voet uit het water. Zwiep! Hij is net Bambi op het ijs. Grijnzend trippelt hij naar me terug.

Het voetpad is koud en de straat prikt. Een bries waait een ijzige mist van een wagen. Het kleeft in onze wimpers. We knipperen naar de grauwe lucht die tegelijk fel is. Alsof er een blauwige schijn in onze ogen priemt. Ondertussen stappen we.

Waar hij anders snuffelend langs me kuiert, snokt hij nu van struik naar paal.

‘Voorzichtig’, zeg ik.

Zwits! Mijn voeten schuiven en ik graai naar evenwicht. Zo belachelijk, die twee voeten! Had ik er maar vier! ‘Voorzichtig, zeg ik!’

Met een frons stap ik verder. Brede stappen op berekende plekken. Onderweg dwaalt de kapotte deur door mijn gedachten, die moet worden vervangen. De rekeningen die ik vanmorgen heb betaald. De poort die ik op een tweedehandssite zag. Onze oudste geit in haar stalletje vol stro. Hoe lang vriest het nog?

Zwiep, zwoesh! ‘Voorzichtig!’

Pets, zijn bil op het ijs. Kratsh kratsh, mijn voeten op de berm. Ik brom iets en met platte oren houdt hij zich in. Korte, stijve stappen zet hij nu.

‘Jij wilde gaan wandelen, he.’ Zodra ik het zeg, spreek ik mezelf tegen. Bij wie leg jij nu de verantwoordelijkheid? Jij kan de gevaren toch veel beter inschatten. Hij kan het niet helpen dat hij in een omgeving leeft waarin hij steeds aan die leiband moet. Die irritante, begrenzende leiband. Die snokkende zwep plets, ‘whoah!’.

Thuis lopen we meteen door naar de tuin. De andere honden volgen. Sneeuw vliegt op terwijl ze galopperen. Bruine kwakken pletsen op het wit.

Iemand knaagt aan een stuk ijs. Iemand anders snuffelt aan geuren met kleuren. Nog iemand legt zich neer alsof haar buik altijd op ijs ligt. Ik sta wat onhandig te wiebelen en veeg mijn neus droog.

Een geit mekkert vanuit zijn stal. Ik kijk naar hem om. Hij knippert met zijn lange wimpers.

‘Waar ben je?’ vraagt hij.

Dan pas voel ik het. Mijn opgetrokken schouders. Stijve buik. Oppervlakkige ademhaling. De frons die er nog steeds zit.

Dan pas zie ik het. De kalme lucht over de besneeuwde takken. De sereniteit ervan herinnert me aan haar. Haar gemis zit in mijn maag. Nog steeds.

Dan pas hoor ik het. Het zachte gesnuffel achter me. De enkele roep van een kraai. Een pimpelmeesje, ergens. Een glimp van Stilte.

Iemand leunt tegen mijn been. Zijn lichaam is warm tegen het mijne. Samen knipperen we naar gedachten in de lucht.

‘Hier,’ antwoord ik, ‘ik ben hier.’

Bestaan er technieken om de band met je hond te sterken?

Door Ineke Vander Aa

In dit luisterfragment schetst Ineke Vander Aa, Shewolf, een dagelijks beeld van de immer ontwikkelende band met één van haar honden, Dingo.

In de kleine uurtjes luister ik naar de wind die door de schouw raast. Het heeft geen zin. Ik sta op en strompel naar beneden. Daar knip ik een lichtje aan. Vanuit de sofa knipperen zijn slaperige ogen. Hij schuift op en ik nestel me in het hoekje. Later ontwaak ik met zijn voorhoofd tegen dat van mij. Onze warme lichamen diep ademend bij elkaar.

We gaan naar buiten, waar we snuiven, rekken, zuchten en snuffelen. In mijn laarzen ploeter ik door de tuin. Ik verzamel drollen en giftige takjes die de wind hier heeft gelegd, zodat de geiten straks op schoon en veilig gras vertoeven. Af en toe wandelt Dingo voorbij met een takje in zijn mond. Nu en dan draaft hij ergens doelgericht met een bal tussen zijn kaken. Ernstig, maar niet boos of slechtgezind. Die drie worden al eens door elkaar gehaald. Gewoon, bezig.

Terwijl hij eet, rommel ik de keuken op.

Terwijl ik eet, ligt hij naast mijn stoel.

Onderweg naar de winkel staart hij door het raam van de wagen. Ik lach om iets dat ik op de radio hoor. Hij heft zijn zwarte wenkbrauwboogjes.

We stoppen bij de dierenspeciaalzaak. Waarom ook niet. Eigenlijk hebben we in ons leven alleen maar tijd. De vraag is wat we daarmee doen.

Dingo snuffelt aan de zakken hondenvoer, de slaapkussens en het kattenvoer.

Iemand die hem aan het einde van de gang opmerkt, keert gauw terug. Ze ziet alleen wat zijn uiterlijk voorstelt. Net zoals mensen mij vaak alleen zien om wat ik zou moeten voorstellen. Maar ik ben eigenlijk gewoon Ineke.

Tussen de varkensoren, runderpensen en hazenoren, kiest Dingo voor vegan knaagbeentjes. Dat vind ik verrassend en opluchtend tegelijk.

Met Dingo’s zak zelf gekozen snoep slenteren we naar de kassa.

‘Mag hij een snoepje?’ vraagt de bediende.

Eerst denk ik ‘nee’. Hij is bang. Dat zie ik niet alleen aan zijn gespannen hijg, zijn staart tussen zijn poten, zijn trillende billen en zijn platte oren. Ik zie het in zijn ogen en ik voel het in mijn lijf. Alsof zijn gevoelens bij mij naar binnen sijpelen zodat ik ze kan gewaarworden zonder erover te moeten nadenken. Ik kan het moeilijk verklaren, maar zo voelt het.

Ik denk ‘nee’, omdat me is geleerd dat een angstige hond aanmoedigen om een snoepje aan te nemen in een beangstigende situatie, ervoor kan zorgen dat hij zijn grenzen overschrijdt en daardoor sneller reactief kan worden.

Ik denk ‘nee’, omdat ook ik soms word geplaagd door zijn genetische achtergrond en voorgeschiedenis.

Maar Dingo heeft het snoepje al geroken en beweegt het topje van zijn neus over de balie. En plotseling zie ik niet Dingo, maar Scout.

Scout, die meer dan een decennium geleden net zo in de dierenwinkel stond. Staart tussen zijn benen, bezorgde frons op zijn voorhoofd. Tegelijk nieuwsgierig. Scout, met zijn zwart-witte en makkelijk te lezen gezichtsuitdrukkingen. Zijn donzige lijf en pluizige staart.

Dingo, met zijn zwarte en moeilijker te lezen gezichtsuitdrukking. Zijn gladde lijf met rosse strepen en dunne werkhondstaart.

‘Goh, ja,’ antwoord ik, ‘je kan het aanbieden. Hij zal zelf wel kiezen wat hij daarmee doet.’

Met vreugde in haar ogen houdt de bediende een stukje worst naar hem uit. Dingo snuffelt voorzichtig, aarzelt, en neemt het dan netjes met zijn voortandjes aan. Boven de grond knabbelt hij het op.

‘Dank u,’ zeg ik tegen de bediende, en ineens springen er tranen in mijn ogen. Ik heb weinig geslapen, dus ben ik nog emotioneler dan anders. Plots golft er een hoop liefde door mijn lijf. Voor Dingo. ‘Dank u,’ herhaal ik onnodig.

Thuis rent Dingo naar de drinkbak. Het herinnert me eraan dat ik beter ook een glas water drink. Dat vergeet ik anders.

Traptraining

Door Ineke Vander Aa

Vandaag beklom Dingo voor het eerst de trap. Na negentien maanden. 

In het begin zette hij zijn voorpoten op de eerste trede en leunde hij slungelig vooruit. Alsof hij niet begreep dat hij ook achterpoten had.

Ik zal hem traptraining geven, dacht ik toen. Met snoepjes en geduld, trede per trede, zoals ik zovele honden zoveel had geleerd. Arme hond, die de trap niet op kan.

Tijdens les één hing er een waterige glans over Dingo’s ogen. Met trillende billen en een rode tong spitste hij zijn oren naar me. Hij stootte een teen tegen een trede en drukte zichzelf tegen de muur.

Ineens zat ik op de dikke knoop onderaan het touw in de turnzaal. Eén op tien voor Vander Aa, voor de poging. Ik doe het omdat je het van me vraagt, meester, maar leuk is anders.

Ik keek naar de snoep in mijn hand voor Dingo’s kinderlijke snoet, en betrapte mezelf op mijn dwingende houding onder het mom van beloningen en goede intenties.

In mijn eigen tuin, zonder pottenkijkers en puntenverdelers, had ik door de jungle van mijn speeltuig geklommen. Ik trok mezelf twee meter omhoog langs de stalen baren en bungelde daar ondersteboven. Zo viel ik eens op mijn kin, maar dat had niemand gezien.

Leren doe je door te leven. Niet andersom.

Dingo kreeg zijn snoep gratis onderaan de trap, en we gingen wat anders doen. Fuck traptraining.

In de tuin sprong hij op het klimrek van de geiten. Vanop het hoogste punt (dat ik klungeliger bereikte) tuurden we over ons land.

In het bos klauterden we over boomstammen. Het herinnerde me aan de tijd waarin de grond dichterbij was en ik over de omgevallen stammen avonturierde naast het perfect begaanbare bospad.

Om het snelst spurtten Dingo en ik een steile heuvel op. We schoven uit tijdens de afdaling en ondersteunden elkaar.

‘s Avonds zoende ik Dingo slaapwel in de sofa en ‘s ochtends stond hij met zijn voorpoten op de trap. Wat voor avontuur is vandaag?

Vanochtend was anders. In zijn ogen fonkelde iets. Wat hij me precies wilde vertellen, wist ik niet. Er was maar één manier om erachter te komen.

Bovenaan de trap ging ik zitten.

‘Wat doe je nu?’ leek hij te vragen.

‘Wat doe jij nu?’ vroeg ik terug.

En hop, daar gingen die achterpoten. Berekend en netjes, trede per trede.

Verwonderd tuurde hij van boven naar beneden. Alles zag er anders uit, hier. Zoals wanneer ik bovenop dat muurtje was geklommen en mezelf uitdaagde om eraf te springen, dertig jaar geleden. Het gras leek zo ver ineens. De bakstenen bewogen.

‘Wacht,’ zei ik tegen Dingo, ‘laat het wennen.’ Naast me ging hij liggen, en samen tuurden we naar de gang die nu een kleine streep was. De poes deed voor hoe dat moest, trede per trede naar beneden.

‘Kijk,’ zei ze, ‘leren doe je door te leven. Niet andersom.’

In de mist

Door Ineke Vander Aa

Even is alles weg.

De straat is weg.

De bomen zijn weg.

De vogels zijn weg.

De weg die we samen bewandelden, is weg.

Er is alleen hier. Jij en ik, op deze plek.

We zijn nu heel dicht bij Stilte. Hoor je hem?

Niets anders is er, dan onze volgende stap in deze troostende waas. Niets anders dan de steentjes onder mijn schoenen en het geplets van jouw poten.

Het ruikt hier anders, zeg je.

Ik ruik niets. De mist kleeft aan mijn neus.

We wandelen hier zo vaak en toch zijn we hier nooit geweest. Niet echt hier.

Het is gewoon donker en mistig, zeg ik.

Het is zoveel meer dan dat, zeg jij.

Nu pas hoor ik geritsel in de verborgen struik waar jij al lang naar staat te kijken. Het topje van je neus glinstert in het sterrenlicht. Kerstig.

Traag kuieren we door dit wonderland, net buiten onze deur.

Er is nu minder mist dan enkele decennia geleden. Dat zei Frank Deboosere op de radio. Hij zei het tevreden, want verkeer houdt niet van mist.

Is dat wat we willen dan? Een wereld met meer verkeer en minder mist?

Als we hier blijven staan, met onze voeten op het krakende gras en de wolk om ons heen, zouden we ons in eender welke tijd kunnen bevinden. Een beetje tijdreizen is de mist.

Je spitst je oren en wijst met je neus naar iets verderop.

We gaan kijken. Zacht ritselend.

Onder de schijn van een straatlantaarn bewegen schimmen. Eén van hen kijkt achterom. Hij hijgt wolkjes naar je toe. Je vangt ze, proeft ze en antwoordt.

In de stille mist.

In de mist, in een andere tijd

Aan zee

Door Ineke Vander Aa

‘Ik wil je de zee laten zien’, zeg ik.

Met boterhammen en snacks vertrekken we. Naar zee. Ik volg mijn gps. Mijn plan. Mijn doel. Dingo volgt mij. Nooit echt wetend waarheen.

Het bijzonderste aan de zee is de lucht. Die eerste stap uit de auto. Zout. Wind. Vis. Wier. Water. Zand. Allemaal in de lucht.

‘Wacht eens even,’ zegt Dingo, ‘wat is dit voor lucht?’

Samen snuiven we. Ik met mijn onnozel bultje tegenover zijn enorme snuit.

Duinen zijn net een andere planeet. Het zand zakt weg onder onze voeten. Stappen gaat trager. Geuren overal. Gekriebel tussen tenen.

‘Kom,’ zeg ik, ‘ik wil je de zee laten zien.’

‘Wacht eens even,’ zegt Dingo, ‘wat is dit voor grond?’

Samen ploeteren we. Ik in mijn stapschoenen. Hij op blote voeten.

Het hoge gras fluistert tegen de wind. Een zwevende meeuw luistert af.

We verschijnen aan de rand van het strand. ‘Kijk,’ zeg ik, ‘de zee.’

Dingo lacht naar de lucht die raast over de zee, dan naar de figuren op het strand. Mensen, honden, paarden.

‘Zal ik hen pakken?!’, hijgt Dingo. ‘Welke dan?! Welke zal ik pakken?!’

Open ruimtes lijken hem nog steeds te herinneren aan oude lessen, toen wij elkaar nog niet kenden en hij nog een carrière bij de politie voor zich had. Met een wilde blik, gespannen kaken en trillende billen concentreert hij zich dan op een figuur, oren gespitst naar mijn instructies.

‘Kijk toch gewoon,’ zeg ik, ‘naar de zee.’

Samen turen we. Ik naar de golven. Dingo naar overal. Misschien zag hij nooit eerder figuren zo in de verte, en vraagt hij zich af waarom ze zo klein zijn. Misschien ruikt hij dat kleine hondje in de verte. Haar geuren reizen met de wind naar Dingo’s neus. Misschien ruikt hij ze allemaal wel. Al die figuren. Tegelijk.

Ik tuur. Dingo ontspant. Langzaam. Hij knippert traag met zijn ogen en beweegt zijn neus in de wind.

Na een poosje fonkelen zijn ogen weer. ‘Kom,’ zegt hij, ‘wat is daar? En daar?’

‘Dat is de zee.’

Het water leeft. Het achtervolgt en rent weg. Tikt tenen aan en vlucht. Het grijnst met een brede glimlach van schuim. Speelt het water? Dat is grappig en griezelig tegelijk.

Kleine vogeltjes rennen langs het water. Ze stelen mosseltjes van elkaar. Schelpen knarsen onder onze voeten. Nat zand kleeft tussen tenen.

De zee is luid. Ik zie het eerst aan Dingo’s platte oren. Dan pas hoor ik het ook. We dwalen verder van de zee en verkennen het strand.

Drie meeuwen staan op een heuveltje. Roddelend kijken ze ons na. Misnoegd.

Dingo ruikt aan pootafdrukken in het zand. Langer aan de lijntjes die een hond in het zand krabde nabij een dode vogel. Aan drolletjes en een verloren schoen.

Ik raap schelpen. Dingo raapt geuren.

Op droog zand gaan we zitten. Ik eerst, hij daarna. Heldere druppels rollen van zijn wiebelende neus over zijn zandsnorretje.

Ik staar naar de horizon en denk: daar is Engeland. Wie zou er leven onder dit bruine wateroppervlak, tussen hier en Engeland? Hoeveel vissen, garnalen, mosselen en zeesterren? Allemaal in deze reusachtige waterkom waarin het zo stil moet zijn.

Ik probeer te kijken naar wat Dingo ruikt, maar zie alleen verre figuren. Een snel bewegend stipje daar, wat een hond moet zijn.

Hier zitten we. Aan zee. Op dezelfde plek. Samen. En toch weer elk in een andere wereld. Ik met mijn herinneringen aan strand en zee. Ik die denk er iets van te begrijpen. Eb en vloed. Engeland, zand en wandelaars. Schelpen en mineralen. Zeemeerminnen.

Dingo met zijn geuren. En dat is alles wat ik er werkelijk over weet.

Samen turen we. Ruiken we. Luisteren we. Voelen we. Proeven we.

Ik toon hem de zee die hij nooit op dezelfde manier zal zien.

Hij toont me geuren die ik nooit zal ruiken.

Samen, aan zee.

De überhond

Door Ineke Vander Aa

‘Ik dacht dat jij van sneeuwhonden hield,’ zei ze, ‘maar toen ik je zag met die Hollandse herder dacht ik “dat past toch niet bij Ineke”.’

Ik lachte.

We hebben allemaal een type waartoe we ons aangetrokken voelen. Ik hou van Duitse herders omdat mijn beste jeugdvriend tot dat ras behoorde. Hun uiterlijk voelt familiair aan. Maar ik hou ook van wolfhonden en husky-achtigen, omdat de liefde van mijn leven een wolfhond was. Mijn man en ik zijn daar heel open over.

Als kind werd ik gebeten door een Dobermann. In mijn latere leven door een Duitse dog. Als ik mijn buikgevoel volg, voel ik me comfortabeler bij andere rassen dan deze. Mechelse herders zaten zo verborgen achter vooroordelen, dat ik me er vroeger onzeker bij voelde. Totdat een Mechelse herderin één van mijn beste vriendinnen werd.

‘Ik hou meer van grote dan van kleine honden,’ zeggen mensen soms. Of omgekeerd. De reden waarom ik vooral met grote honden samenleef, is omdat hun adoptiekansen lager liggen en ze daardoor alvast meer mijn aandacht trekken. Zeker wanneer ze karaktereigenschappen hebben die weinig welkom zijn in onze samenleving.

‘Als trainer mag je geen favorietjes kiezen,’ zei mijn mentor tijdens mijn opleiding. Toch helpen we mensen bij het kiezen van een ras wanneer ze op zoek gaan naar een hond.

‘Wat denk je van dit ras?’ vraagt men dan, met een fotootje van iemands donzig kind dat zopas ergens te koop werd gezet.

Ik vind het een beetje raar allemaal, die hondenrassen. Het doet me steeds denken aan het taboe rond het ideale mensenras. De übermensch. Het voelt ongemakkelijk en tegenintuïtief.

We bestaan allemaal uit een combinatie van genetisch materiaal en een referentiekader aan ervaringen, gedachten en gevoelens. Sommige karaktereigenschappen zijn genetisch bepaald. In hoeverre bepaalde eigenschappen tot uiting komen, hangt af van de genetische cocktail én hoeveel water bepaalde zaadjes krijgen doorheen het leven van een individu.

Dat zijn we tenslotte allemaal. Unieke individuen. Blanke, zwarte en Aziatische individuen. Mannen en vrouwen. Het schijnt dat dat tegenwoordig omstreden woorden zijn om mensen mee te beschrijven.

Duitse herders, Hollandse herders, Mechelse herders. Bobtails, Saarlozen, labradors en andere retrievers. Shih tzu’s en maltezers. Dat vinden we normaal.

Toen ik me openstelde voor een partner, koos ik niet op voorhand bewust een mensenras. Zelfs geen gender. Ik nam de tijd om mensen te leren kennen en ervoer bepaalde aantrekkingskrachten. Vrienden, lieven en vergissingen. Soms voelden we ons thuis bij elkaar en soms niet.

Kan ik dit individu aanvaarden zoals hij of zij is, dacht ik dan, zonder hem of haar daarbij te willen veranderen? Om daarop te kunnen antwoorden, moet je iemand eerst leren kennen. Dat gaat over tijd nemen voor elkaar. Elkaar ernstig nemen als gelijkwaardig individu.

Gisteren had ik iets te vieren en dronk ik net dat glaasje teveel. Je kent dat wel. Half bewusteloos lag ik in bed. Omstreeks vier uur bereikte een zacht gepiep mijn moedergevoel. Het kwam van de benedenverdieping. Wankelend vocht ik met de mouwen van mijn kamerjas.

‘Ik kom!’

Ik strompelde naar beneden waar Dingo de Hollander al naar de deur rende met gespannen billen. Hij moest dringend.

Terwijl hij buiten hurkte, wreef ik in mijn ogen. Hoe kan het toch, dacht ik, dat ik haast niets hoor terwijl ik slaap. Maar één van mijn companen hoeft maar een geluidje te maken en ik ben uit bed. Ongeacht het ras of de soort waartoe ze behoren. Zou ik van een wolfhond meer gehouden hebben dan van Dingo?

Met die Hollander ging ik weer naar binnen. Ik drukte een zoen op zijn warme voorhoofd en wachtte tot hij indommelde alvorens de klim naar boven te beginnen. Onderweg knipperde ik vriendelijk naar de Spaanse straathond die me met slaapogen bekeek.

Boven knipte ik het lichtje uit, en viel ik in slaap op het ritme van Maya’s ademhaling. Een Duitse herderin.

Maar het is waar. Ik hou ook van sneeuwhonden. Ierse wolfshonden, daar kijk ik altijd voor om.

Loslaten

Door Fleur Preckler

Loslaten. 

Ik zit in de tuin. Warme hoodie, tas rooibosthee, favoriete mok dicht tegen me aan, ik blaas geurige theedampen de frisse herfstlucht in. De zon schittert tussen ritselende bomen en ik ruik de geur van natte bosgrond. Mijn honden snuffelen met me mee, al heb ik naar wat zij nog ruiken met hun natte wiebelneusjes alleen maar het raden.

En ik bedenk me dat wij naar zoveel het raden hebben, eigenlijk. Toch? Weten wij veel.

Waarom doen we dat? Waarom die drang om te verklaren, weten, veranderen. Welke verwachtingen willen we ingelost eigenlijk? En van wie verwachten we dan iets. Hoeven wij echt te weten dan?

Ik denk dat het dat is, wat Ineke en ik met elkaar gemeen hebben (bovenop een salopette en een gezonde portie je-m’en-foutisme), wij hoeven niet zozeer te weten. Het voelt als een opluchting, voor ons, dat al dat weten als een last van onze schouders is gevallen.

Want als je niet meer hoeft te weten, dan komt er voelen in de plaats. Dan leven we minder boven onze schouders, net dichter bij onze warme buik. Daar kunnen we voelen, aanvaarden, meegolven, en zijn. 
Daar ontstaat, daar bestaat, onvoorwaardelijk.

En dus moet ik glimlachen, zo boven mijn tas thee, omdat ik het echt bijzonder bevrijdend vind, weet ik veel. 
Ik hoef niet te weten. Ik ben hier gewoon. En de herfstbries wervelt om me heen. 
Ik wervel mee. Luid zingend vaak, soms angstig afwachtend, maar ik wervel mee. 
Ik vertrouw in dat krachtige voelen van mijn warme buik en ik durf te kijken naar de dingen die ik zie. 
Echt zie. Echt voel. Echt hoor.

Zomaar, onvoorwaardelijk, geen verwachtingen. Gewoon, wervelen.

Ik zucht, want hoe breng ik dit dan onder woorden? Hoe maak ik hiervan een advies voor de mensen die ik begeleid?

Een flinke bries waait de laatste hardnekkig vastklampende bladeren van de berk bij de buren, en ook zij laten uiteindelijk los. Ritselend fonkelend dwarrelen ze naar beneden om een heel voorjaar, een hete zomer achter zich te laten. Ze leggen zich neer. In de prachtigste kleuren en met een opluchtende vanzelfsprekendheid wiegen ze zacht en vol vertrouwen richting natte bosgrond. Ze laten los.

Ik laat het los.

Start de dag met Scout’s 10 levenslessen

Of hij ook zo’n mok kon hebben. Daar zou hij zo blij mee zijn. Toen dacht ik: goed dan. Ik stel ze te koop, zodat iedereen ervoor kan kiezen om elke dag te starten met een herinnering aan wat het betekent om te leven. Precies zoals Scout me dat heeft geleerd.

Scout’s 10 Life Lessons:

1. Keep away from cholla cactus

2. When scared, take time

3. When tense, play a game

4. Break the rules when nobody’s watching

5. Fox poop is best rubbed on cheeks

6. Sniff the wind, it’s different every day

7. Always nudge fellas in the crotch

8. Only listen to friendly people, avert the bullies

9. When ignored, bark louder

10. A good howl settles the mind

Misschien heb je deze Scout-mok graag voor jezelf, of maak je er liever iemand anders blij mee. Met de aankoop van deze mok steun je Together Alive vzw. De prijs bedraagt €11,50/ mok, plus €5 verzending. Bestellen doe je met een mailtje naar Ineke@shewolf.be, en dan komt Scout spoedig jouw richting uit.

Alvast bedankt voor je steun!