Brief aan mijn hond: hoe voelt het om hond te zijn?

cropped-13151495_1090442944353915_5693275308756816263_n.jpg

 

Er was eens een filosoof die Thomas Nagel heette. Eigenlijk leeft hij nog steeds. Misschien voelde hij zich nog fleurig in de jaren 1970 toen hij zich luidop afvroeg of we ooit kunnen weten hoe het voelt om een vleermuis te zijn. In ieder geval schreef hij er een essay over dat mij, decennia later, herinnert aan de nodige bescheidenheid wanneer we als mens in contact staan met andere dieren.

Neem nu die vleermuis. We weten dat een vleermuis zich navigeert via echolocatie. We weten dat hij ondersteboven slaapt en duizenden insecten per nacht vangt. We weten dat vleermuizen met elkaar communiceren via een hoogtoning ‘kekekekek’ dat wij mensen amper horen.

Dat weten we allemaal. Daar bestaan onderzoeken rond en we zien het met onze eigen ogen gebeuren. Maar stelt die letterlijke wetenschap ons in staat om werkelijk te kunnen begrijpen hoe het voelt om een vleermuis te zijn?

Nagel neemt het voorbeeld van pijn. Ja, we weten dat vleermuizen pijn kunnen ervaren. We weten hoe het voelt als mens om pijn te ervaren. Maar weten we daarom hoe het voelt als vleermuis om vleermuispijn te ervaren?

Natuurlijk niet.

Hoe kunnen we weten wat goed is voor vleermuizen, als we niet eens weten hoe het voelt om vleermuis te zijn?

De haren onder je teennagels groeien langer dan de haren bovenop je poten en tussen je teenkussentjes. Je loopt altijd op je blote voeten. Ik ken je geur en haal me je grijze vachttekening voor de geest met mijn ogen toe. Ik weet wat je lekker vindt en dat je die gezonde struisvogelkoeken links laat liggen. ‘s Ochtends groet je de dag met een wolvenhuil, en je communiceert met de andere honden via visuele signalen die aan de meeste mensen voorbij gaan. Ik vermoed dat je met veel meer visuele en olfactorische signalen communiceert dan wij mensen ooit zullen kunnen opvangen. Laat staan begrijpen. Ik weet dat je de kleur rood niet ziet en dat oranje voor jou eerder geel is. Ik weet dat je miljoenen meer geurreceptoren in die enorme neus hebt zitten dan ik. Je loopt op vier poten en je oren zijn als schelpen die het gepiep van ondergrondse muizen opvangen.

Ik weet dat allemaal. En toch stelt het me niet in staat om te weten hoe het voelt om jou te zijn. De enige die werkelijk weet hoe het voelt om een hondachtige te zijn, ben jij zelf. Het is dus niet aan een andere soort om jou te vertellen wat je nodig hebt. Om je te domineren of te onderwerpen. Het is aan de andere soort om vanuit een open houding naar je te kijken, en erin te berusten dat je verstandig genoeg bent om te tonen hoe je je voelt en waar je noden en grenzen liggen. Het enige wat ik als andere soort kan doen, is je daarin volwaardig respecteren. Je te steunen en begrip op te brengen als je dat nodig hebt, zoals jij dat ook voor mij doet.

Jij zal nooit weten hoe het voelt voor mij om mens te zijn.

Ik zal nooit weten hoe het voelt voor jou om hond te zijn.

Samen kunnen we wel eenvoudig zijn, en dat is voor mij genoeg.

Labels plakken: goed of slecht?

Onze kinderen krijgen bijna labels op hun schoolboeken geplakt, net onder hun naam. Bart, ADHD. Mieke, Hoogsensitief. Pieter, autisme. Dat vinden we normaal. Een beetje overdreven soms, want ‘alle kinderen hebben tegenwoordig wel iets’.

Wat als alle kinderen altijd wel iets hebben gehad, maar dat onze inzichten pas recent nauwkeuriger werden? En wat als alle kinderen tegenwoordig wel iets hebben, omdat hun breintjes manieren ontwikkelen om om te gaan met hun omgeving die voortdurend aan een snel tempo evolueert?

Als er gesproken wordt over ADHD, hoogsensitiviteit en autisme met betrekking tot honden, gaan menig wenkbrauwen omhoog. En dat terwijl onze zoogdierenbreinen binnen bijzonder gelijkaardige principes werkzaam zijn, en telkens terugkoppelen op dezelfde evoluerende omgeving, alleen vanuit een ander perspectief.

IMG_4533.jpg

Verantwoord labels plakken, kan alleen wanneer iemand kennis heeft van de meest recente wetenschappelijke inzichten over bepaalde karaktereigenschappen bij honden. Het kan alleen gebeuren na een professionele observatie en binnen een begeleidingstraject met oog voor het emotionele welzijn van je hond. Als we te weinig observeren en te snel interpreteren, krijgen we misvattingen. Zo wordt chronische overprikkeling in de praktijk vaak verward met hoogsensitiviteit. Ook wordt een verhoogde nood aan controle over de omgeving t.g.v. een onveiligheidsgevoel, vaak verward met autisme. Ook labels onderling worden vaak door elkaar gehaald, zoals ADHD en hoogsensitiviteit.

Wanneer labels onjuist aan een individu worden toegeschreven, beïnvloedt dat de manier waarop we met hen omgaan. Op dat moment stopt de observatie, en nemen verwachtingen de overhand. Voor het individu dat foutief werd gelabelled, heeft dat vaak een emotionele labiliteit tot gevolg. Dit zien we tot uiting komen in gedrag dat wij als probleemgedrag omschrijven.

Er schuilt dus een uiterste gevoeligheid in het label-plakken, en ik moedig daarom aan om vooral voldoende te blijven openstaan voor observatie.

Echter schuilt er ook een superkracht in het plakken van labels. Geen enkel individu past volledig in een hokje. Hoe een individueel brein werkt, kan wel gelijkenissen vertonen met een andere groep individuen. Inzicht in de manier waarop deze breintjes informatie verwerken, deze informatie omzetten tot biologische activiteit (activatie en deactivatie van neuronen, hormonen…), en de manier waarop hun perceptie het lichaam aanzet tot motorische responsen (gedrag), kunnen een wereld van verschil betekenen voor zijn/ haar emotioneel welzijn.

In de praktijk zien we dat het correct hanteren van labels kan leiden tot individueel aangepaste therapieën met een hoge succesfactor. Daarom hoop ik dat de toekomst meer wetenschappelijke inzichten kan verschaffen in de complexiteit en mogelijkheden van hondengedragstherapie.

Samengevat kunnen we stellen dat het onprofessionele toeschrijven van labels desastreus kan zijn voor het betrokken individu. Anderzijds kan het verantwoorde en correcte hanteren van labels een wereld aan inzichten verschaffen, met een hoog potentieel voor de verbetering van het emotionele welzijn van het betrokken individu.

Waar we het met z’n allen eens over kunnen zijn, is dat de emotionele beleving van de hond complex is. Er bestaat geen one size fits all– therapie om wat wij als probleemgedrag ervaren, te behandelen. Iedere hond is een individu met een eigen referentiekader, waarbinnen genetische- en omgevingsfactoren als de miljarden neuronen in onze hersenen bewegen en beïnvloeden, maar samen een complex geheel vormen.

Als labels ons ergens van bewust maken, dan is het dat. En daar kan ik mee leven.

 

 

 

#mydogtoo

Vele honden ontwikkelen reactief gedrag t.o.v. vreemden, net zoals vele vrouwen een afkeer ontwikkelen t.o.v. een bepaalde type man. Ik begrijp waarom.

Vandaag wandelde ik met mijn hond, Scout, door een stadje. Er naderde een groep mensen met een beperking, samen met hun begeleidster. Eén van de gasten rende naar ons toe, boog zich over Scout en aaide hem stevig over zijn rug.

Scout bleef staan en stond het toe, maar vond het niet zo fijn. Dat zag ik aan zijn strakke lippen, zijn stijve houding en zijn grote ogen die van de man wegkeken. Ik deed vriendelijk teken naar de begeleidster dat de interactie mocht stoppen. Ze beantwoordde me met een verontwaardigde blik. De man bleef aaien.

Ik glimlachte en verzocht verbaal om de interactie te doen stoppen, maar de verontwaardiging van de begeleidster werd alleen groter. Toen wandelde ik maar gewoon met Scout weg, wat volgens onze menselijke etiquette als onbeleefd wordt beschouwd. Jammer.

Ja. Een hond mag baas blijven over zijn eigen lichaam. Zelfs wanneer een persoon met een beperking er wat aan zou hebben om hem te aaien. Het is niet omdat een hond aanraking toestaat, dat hij het fijn vindt. Het is aan ons om de subtiele signalen van onze honden op te vangen en correct te interpreteren, en om de grenzen van onze honden te beschermen.

Ik denk ook aan schattige Jess, die in de stad woont en om de haverklap tegen zijn zin wordt verstoord, benaderd, toegesproken en aangeraakt, ongeacht tegenspraak van zijn mens. Het doet me een beetje denken aan hoe het voor mij voelt om door bepaalde delen van Brussel te wandelen. Gelukkig word ik daar niet aangeraakt, maar mocht ik een hond zijn, zou ik in dat geval bijten. Dat doet Jess ook.

Toestaan om aangeraakt te worden, is niet gelijk aan fijn vinden om aangeraakt te worden. Toestaan om aangeraakt te worden binnen een mogelijk bedreigende situatie, is een overlevingsstrategie.

Wanneer we onze honden onbewust aanleren dat hun subtiele signalen niet worden opgemerkt, hun grenzen niet worden gerespecteerd en ook verstijven tijdens de aanraking niet helpt, zal de hond steeds sneller overgaan tot duidelijkere communicatiesignalen, zoals blaffen, grommen, tanden tonen, happen en bijten.

DogStressFacialExpressionsVBTChin.jpg

Wanneer we de subtiele signalen opmerken en de grenzen van onze honden respecteren, helpen we de hond zich veiliger te voelen, en zal hij meer ontspannen kunnen vertoeven in nabijheid van vreemden. Als hij echter reeds een trauma heeft ontwikkeld, kan therapeutische begeleiding een meerwaarde zijn.

Deze stappen kan jij ondernemen wanneer je waarneemt dat je hond tegen zijn zin wordt aangeraakt:

  1. Verzoek op een rustige en vriendelijke manier om de interactie te stoppen.
  2. Raap je assertiviteit bij elkaar, ga tussen je hond en de persoon instaan, en voorkom zo verder fysiek contact. Je hond zal in de toekomst wellicht sneller achter je komen schuilen.
  3. Stop de interactie, en wandel rustig weg.

Herken jij je hond en jezelf in dit verhaal? Plaats dan de hashtag #mydogtoo op je tijdlijn, en help bewustzijn te verspreiden over het hondse recht om baas te zijn over eigen lichaam.

Kom op voor je hond.

 

 

 

Verlatingsangst: overdreven?

‘Ineke wacht op haar ouders aan het ballenbad.’

Ofwel waren ze nog geen vijf minuten de winkel in, ofwel was ik hen nog maar net uit oog verloren en in paniek weggerend om ze te zoeken, waardoor een winkelbediende me naar het ballenbad had gebracht. Yup. Ik was dat kind.

Heel precies herinner ik me een episode waarbij mijn ouders me in een kinderverblijf van een winkel wilden laten wachten. Rustig spelend, zoals alle andere kinderen. Alleen moest ik erin worden geduwd terwijl een kinderoppas me aan m’n armen naar binnen trok.

Eens binnen met de deur op slot, hoorde ik de kinderoppas niet door mijn gegil. Ze zette me voor een speelgoedwinkeltje waarachter een vreemd kind nepgroenten stond te schikken. Het meisje vermeed mijn rode, snotterige gezicht en stapelde de nepcentjes. Displacement behavior.

De kinderoppas greep me bij mijn oksels en zwierde me ergens anders heen. Het volgende wat ik me herinner, is dat ik diep ongelukkig op een bank zat met van die turnmatten om me heen. Ik ruik ze nog.

Mijn geschreeuw was inmiddels opgehouden. Mijn snottebellen plakten droog aan mijn wangen. Ik beet in mijn vuist, en snikte nog wat. Hetgeen me het meeste bijblijft, is de diepe droefenis die me stil maakte. Al wat ik wou, in de hele wereld, was mijn mama. Vanbinnen beloofde ik plechtig dat ik in de toekomst gewoon flink in de winkelkar zou zitten. Alles wat ik wou, in de hele wereld, was in die stomme winkelkar zitten bij mijn mama.

Dat is ongeveer dertig jaar geleden. Als ik vandaag speelgoedwinkeltjes zie, krijg ik nog de chills. Bij de geur van turnmatten, keert mijn maag.

Ik was ook vast de minst favoriete jonggids van mijn scoutsleiders op kamp. Begrijpelijk.

Separation-Anxiety-image.png

Verlatingsangst is een vaak verkeerd begrepen en onderschatte materie. Het gaat gepaard met intense emoties en is niet te verwarren met niet alleen kunnen zijn. De meeste honden waarbij een vermoeden wordt geuit van verlatingsangst, hebben eenvoudig nooit geleerd hoe ze veilig alleen kunnen blijven. Honden met échte verlatingsangst, worden daardoor vaak niet bijzonder ernstig genomen. Een hond met verlatingsangst heeft nood aan een veilige, voorspelbare thuis waarin hij volledig tot rust kan komen. Begeleiding bij zelfzekerheid, en mentale stimulatie die het brein leert omgaan met moeilijkere situaties, zijn een basis alvorens er actief kan aangeleerd worden om alleen te zijn.

Verlatingsangst is een intense situationele vorm van angst en onrust, met potentieel ernstige psychologische gevolgen. Een hond met verlatingsangst heeft er nood aan om serieus genomen te worden.

Jouw hond met verlatingsangst, heeft jou nodig.

As for me, ik kan er op heden erg van genieten om alleen te zijn. Met al m’n dieren om me heen, uiteraard.

 

I have a dream…

Het moment dat ik Mijo opgaf, kan ik me nog helder herinneren. Het was putje winter, ijskoud, midden in de nacht, en ik was doodmoe. Ik zie hem nog staan: zijn smalle lijfje stijf achterin de tuin tussen het bevroren gras. Elke poging om hem binnen te krijgen, eindigde in een overdreven gespurt door de tuin. Ik voelde me machteloos, belachelijk en menselijk. Mijn geduld was op.

Ik ging naar binnen, sloot de deur achter me en ging naar bed. Daar staarde ik met grote ogen het donker in. Ik heb het gehad, dacht ik. Ik heb het verdomme gehad. Een uur later strompelde ik naar beneden, opende de deur, ging zwijgend op mijn aangewezen plek in de tuin staan, keek naar links, en Mijo wandelde naar binnen.

Als pup werd Mijo gevonden in Spanje, naast zijn dode moeder aan de kant van de weg. Olé. Hij werd overgebracht naar Spaanse Honden In Nood, waar hij twee jaren verbleef. Toen hij eindelijk werd geadopteerd door een gezin in België, werd ik gecontacteerd omwille van Mijo’s gedrag. De mensen schenen geen contact met hem te kunnen maken. Hij bracht hele dagen door in zijn (open) bench, stil en klein, in het verste hoekje. Af en toe liep hij naar de tafel en terug.

Toen ik Mijo voor het eerst zag, bedacht ik dat ik nooit zo’n trieste hond had gezien. Hij zag eruit alsof hij het leven had opgegeven, met alles en iedereen erin. Diezelfde dag nam ik hem mee naar huis, en kreeg de maanden daarop van verschillende mensen het advies om Mijo te laten euthanaseren wegens psychisch lijden. Hij bracht hele dagen en nachten door op hetzelfde plekje in mijn bureau. Bij benadering, zacht en zijdelings zoals aangeleerd, verstijfde hij, begon hij te rillen en hoorde ik zijn hart kloppen.

Mijo stonk. Niet naar asiel, maar naar de bijna menselijke geur van angstzweet. Mijn andere honden deden alsof hij er niet was.

Iedere poging om hem aan te moedigen om mijn bureau te verlaten, mondde uit tot een spartelende paniekreactie waarbij Mijo zijn urine en stoelgang verloor. Na enkele weken, begon Mijo in de kamer rond te lopen. Rond mijn bureau. Rond en rond. Onophoudelijk.

Met al het geduld dat ik in mijn levensjaren had gespaard, toonde ik dat aanraking niets was om bang van te zijn. Ik ging bij Mijo zitten, telkens een beetje dichterbij, en liet mijn hand liggen met een stukje kaas erin, totdat mijn arm verkrampte. Ik liet hem wennen aan mijn stem, en legde lokaas richting achterdeur. Zindelijkheid stond op mijn prioriteitenlijst.

Na een volgende maand kon ik Mijo in mijn armen tillen, en droeg ik hem de drempel over van de ene kamer naar de andere. Daar veranderden de vloertegels, zette ik hem op de grond en liet ik hem teruglopen. Zo, elke dag een beetje verder, kreeg ik hem uiteindelijk buiten. En toen kreeg ik hem niet meer binnen.

Maanden gingen voorbij, en we ervaarden dat Mijo bijzonder gevoelig was aan details. Als hij in de tuin was, bijvoorbeeld, ging mijn man op één bepaalde plaats staan, zwijgend, en keek hij naar rechts. Tegelijk stond ik op een andere, specifieke plek, zwijgend, en keek ik naar links. Alleen zo wandelde Mijo naar binnen. Niet anders.

De nacht dat ik Mijo opgaf, had ik bezoek gehad, en was mijn man er niet. De precieze formatie kon dus niet worden gevormd en in het huis hingen geuren van vreemden. Mijo was vier maanden bij ons, had mijn reserve geduld leeggeroofd, en sprak alles tegen wat ik tot dan toe over honden had geleerd.

Vanaf het moment dat ik Mijo losliet, ging ik gewoon mee in zijn eigenaardige gewoontes en noden, moedigde hem niet meer aan en probeerde hem niet meer te veranderen.

En weet je wat? Mijo floreerde. Plots at hij zijn kom leeg, terwijl ik in de buurt was. Ineens stond hij als een schaduw naast me, of voelde ik hem snuffelen aan de achterkant van mijn benen. Hij viel in slaap naast me, snurkend, en de tranen rolden uit mijn ogen. Hij liet zich aanlijnen, en we maakten onze eerste wandeling samen. Mijn andere honden begonnen met hem te spelen.

Aanvaarding als individu, los van verwachtingen, was alles wat Mijo nodig had gehad. Vandaag is Mijo een bijzonder vrolijke, speelse en grappige hond, die houdt van fysieke affectie. Hij komt als ik hem roep (in het Spaans, uiteraard), en ontfermt zich over de bescherming van onze kroost kippen en geiten. Als ik binnen ben, is Mijo binnen, en als ik buiten ben, is Mijo buiten.

Mijo

Mijo kan niet zitten, liggen of pootje geven op verzoek. Dat hoeft niet. Wij verstaan elkaar prima, hebben oog voor elkaars subtielste communicatiesignalen, en respecteren elkaars wensen en grenzen. Mijo en ik zijn gelukkig samen en ik ben trots op hem. De rest van de wereld en zijn verwachtingen en vooroordelen zal ons worst wezen.

Gisteren observeerde ik een groepsles, waarbij honden a.h.v. een strak lijntje dienden te gehoorzamen, en fysiek geforceerd werden tot onnatuurlijke houdingen. Het was een schat aan conflictvermijdende stresssignalen, en geen mens die het leek te zien. Misschien zagen ze het wel, maar waren de verwachtingen belangrijker dan de emotionele beleving van de honden. Mijn hart brak ervan. Ik keek naar al die gespannen hondengezichten, en zag onbegrepen zieltjes, eenzaam in hun communicatie.

Ik dacht aan Mijo en het belang van loslaten, dat hij me heeft geleerd. Een hond hond laten zijn, binnen zijn unieke individuele kader, is in de hondenwereld nog niet zo vanzelfsprekend als ik had gedacht.

Ik droom van een wereld, waarin iedere hond zichzelf mag zijn.

Gebeten door honden: 18 ontdekkingen

Hopla! De sociale media staat bol van het voormalige model dat recent in het gezicht werd gebeten door een hond. Voordat de reputatie van de Husky hetzelfde ravijn wordt ingeduwd als die van de pitbull, blader ik tussen mijn data over agressie bij honden. Ik kom terecht bij een recent gepubliceerd artikel (2017) door J.A. Oxley, beschikbaar via de Journal of Veterinary Behavior. Hoewel het hele artikel interessant is, schuif ik de meest treffende ontdekkingen naar voor. Dit onderzoek vond plaats in het Verenigd Koninkrijk op basis van een vragenlijst die ingevuld werd door 484 slachtoffers. Details over de werkwijze vindt je via deze link: Context and consequences of dog bite incidents

  1. Incidenten waarbij mensen gebeten worden door honden, komen alsmaar vaker voor, ondanks acties rond bijtpreventie.
  2. Twee derde van de honden die een mens beten, hadden een (gehoorzaamheids)training achter de rug.
  3. De meeste honden die een mens beten, kenden het slachtoffer.
  4. De meeste bijtincidenten vonden plaats tijdens fysieke interactie tussen mens en hond, zoals aaien, spelen, vasthouden, behandelen…
  5. De meeste verwondingen vereisten geen medische behandeling.
  6. De meeste honden die een mens beten, werden geen gevolg door hun omgeving toegekend. Ook werden er amper stappen ondernomen om incidenten in de toekomst te voorkomen. De meeste mensen gaven immers zichzelf of de eigenaar van de hond de schuld, i.p.v. de hond zelf.
  7. De meeste mensen die in het gezicht werden gebeten, getuigden dat ze over de hond leunden wanneer de hond overging tot bijten.
  8. De meeste bijtincidenten vonden plaats binnen de thuisomgeving van de hond.
  9. Kinderen en jongeren (onder 17 jaar) werden vaker gebeten als gevolg van goed bedoelende handelingen (bv. knuffelen), dan slecht bedoelende handelingen (bv. pijn veroorzaken).
  10. Kinderen en jongeren (onder 19 jaar) werden vaker gebeten ter hoogte van het hoofd of de nek dan volwassenen. Wellicht omdat deze zich bij kleine kinderen dichter bij de muil van de hond bevinden dan bij volwassenen.
  11. De meeste honden die een beet veroorzaakten, waren mannelijk. Slechts 36,4% van hen was gecastreerd.
  12. De rassen die het vaakst gemeld werden als degene die de beet toebrachten, waren de Duitse Herder, Border Collie en Jack Russell. Gezien de aard van het onderzoek (vragenlijst), moeten we ons ervan bewust zijn dat vele mensen ook andere honden verkeerd kunnen omschrijven als deze populaire rassen. Neem dit resultaat dus met een korrel zout. Er bestaat geen ondersteunend, wetenschappelijk bewijs dat het ras van een hond een indicator is van agressie.
  13. Meer dan de helft van de honden die beten, vertoonden reeds eerder agressie tegenover honden (42,4%), mensen (19,4%) of mensen en honden (38,2%). Dit vertelt ons dat we agressie tegenover andere honden beter dienen te herkennen en te begeleiden.
  14. Het gedrag van honden vlak voor het bijtincident, werd het vaakst beschreven als actief/ opgewonden. Daarna volgt agressief; ontspannen; bang/ gespannen/ gestresseerd; blij; slapend/ rustend en anders (bv. jaloezie). Ook hier dienen we ons ervan bewust te zijn dat de personen die deelnamen aan de vragenlijst, de communicatiesignalen van de honden verkeerd kunnen hebben geïnterpreteerd.
  15. De vaakst voorkomende plaatsen waar mensen werden gebeten, waren de handen, polsen, onder- en bovenarmen. Dit komt overeen met de notie dat de meeste incidenten gebeuren tijdens directe interactie met de hond. Daarna kwamen in mindere mate het onderlichaam voor, zoals de benen, voeten en enkels, het torso, de rug en als laatste het hoofd en de nek.
  16. Incidenten waarbij de mens de hond benaderde, resulteerden vaker in verwondingen t.h.v. het bovenlichaam.
  17. Incidenten waarbij de hond de mens benaderde, resulteerden vaker in verwondingen t.h.v. het onderlichaam.
  18. Van alle ondervraagde slachtoffers, maakte slechts 1,6% plannen om hun eigen houding tegenover honden in de toekomst aan te passen, of om veranderingen in de omgeving aan te brengen om incidenten in de toekomst te vermijden (bv. fysieke barrières installeren).

Stop. Rewind naar nummer dertien. Ga nu terug naar nummer achttien. Zijn we hier iets op het spoor?

In de praktijk zie ik twee belangrijkste componenten om agressie bij honden te voorkomen én te verminderen:

  • stress-reductie: vele honden die agressief gedrag vertonen, lijden aan (chronische) stress. Door stressfactoren te identificeren en de hond te begeleiden naar een rustigere, emotioneel gezondere toekomst, kunnen we heel wat bijtincidenten voorkomen. Dit houdt tevens in dat we als mens onze houding tegenover de hond onder de loep nemen, en dat we de hondvriendelijkheid van zijn omgeving gaan herevalueren en waar nodig gaan aanpassen.
  • duidelijkere communicatie: vele honden die overgaan tot bijtgedrag, ervaren dat conflictvermijdende signalen niet worden begrepen of worden gestraft (bv. grommen). Door mensen alert te maken op deze signalen en de hond de kans te geven om opnieuw te leren dat subtiele communicatie altijd de betere keuze is, kunnen we vele vervelende incidenten voorkomen.

dog_decoder_4.jpg

(Afbeelding: Dog Decoder)

Tenslotte nog dit: durf op te komen voor de grenzen van je hond. Als je merkt dat je hond zich ongemakkelijk voelt in interactie met jezelf of anderen, durf dan een einde te maken aan de interactie. Jouw hond rekent op jouw steun, net zoals jij op zijn steun rekent, wanneer jij je bedreigt voelt.

Stay safe.

Waar komen honden vandaan?

Dat honden afstamden van wolven, dacht ik vroeger ook. Waarom iedereen daar precies van overtuigd was, was bijzaak. Het leek zo evident: eerst waren er wolven, en toen domesticeerden mensen enkele daarvan. Daarmee werd verder gekweekt, en het resultaat zijn de honden die in onze sofa soezen of op vuilnis azen. Het idee zat zo diep in onze gedachten geworteld, dat we er zomaar vanuit gingen dat honden ook een beetje wolven waren. Kijk maar naar de husky, meent men bijvoorbeeld vandaag nog, één van de rassen die zogenaamd het dichtst bij de wolven staan.

Vandaag weten we dat een husky evenveel hond is als een labrador, en dat honden vooral honden zijn, en geen wolven.

Decennia aan trainings- en opvoedingsmethodes worden opnieuw geëvalueerd en bijgeschaafd. Dat zijn de boeiende tijden waarin we leven. De honden die al zo lang naast ons leven, worden nu onthuld hoe ze écht zijn, als hond en niet als wolf.

Waarvan komt hij dan wel?

32407361_1814865761911626_8689947728735633408_n.jpg

Raymond en Lorna Coppinger (biologen die jarenlang honden hebben geobserveerd binnen verschillende continenten en leefomgevingen) houden er met hun no-nonsense houding drie grootste theorieën aan over, en het is belangrijk dat we die niet als afgelijnde mogelijkheden beschouwen, maar dat we ons openstellen tot de mogelijkheid dat er verschillende, door elkaar stromende rivieren bestaan die tot de oorsprong van de hond hebben geleid.

Voornamelijk leiden de wegen naar ‘adaptation to local conditions by natural selection’, wat inhoudt dat de hond gaandeweg zichzelf heeft ontwikkeld naargelang de omstandigheden en manier van voedsel te vergaren. Met name door minder te gaan jagen, maar zich eerder op te stellen als aaseter nabij menselijke nederzettingen. Dat natuurlijke selectie hier heerst, zien we aan het hedendaagse uiterlijk van straathonden binnen verschillende klimaten. Straathonden (die zelf kiezen met wie ze zich voortplanten) delen een bepaalde grootte, vorm en vachttextuur afhankelijk van de temperaturen, vochtigheidsgraad, altitude en latitude waarin ze leven. Daaraan zien we dat honden, net zoals andere wilde diersoorten, zich op lange termijn hebben geëvolueerd in coherentie met hun omgeving en voedselbronnen.

Het pittoreske beeld van een primitieve vrouw die een wolvenpupje aan haar borst legt, lijkt daar tegenover een eerder bizar teken van de manier waarop mensen graag vooral hun eigen soort in de belangstelling zien. Zou het kunnen dat de voorvader van de hond zich tot de hond heeft geëvolueerd, zonder onze directe invloed?

Indirect had onze (voedsel en menselijke) afval wellicht invloed op de overlevingskansen van de individuen die zich korterbij waagden om aan voedsel te komen. Maar stel je voor dat er iets gebeurde waardoor de populatie honden voornamelijk werd uitgeveegd. Ze werden bijvoorbeeld ziek, en slechts enkele individuen overleefden. Toevallig hadden deze individuen voornamelijk een zandkleurige vacht of een krullende staart. Deze honden zorgden voor nakomelingen, die de zandkleurige vacht of krulstaart verder opnamen als dominant gen binnen de voortplanting. Dit noemen de Coppingers een ‘founder effect’, waarbij een grotere populatie wegens een ramp in de geschiedenis te herleiden valt tot enkele voorouders met een bepalende, doch toevallige, eigenschap.

Als we kijken naar wat er vandaag nog steeds gebeurt binnen primitievere volkeren, dan werpen we misschien een blik op een jammer maar logisch verleden. Hier worden honden voor een bepaalde eigenschap gebruikt. Een pup die er schattig uitziet, kan gebruikt worden om te verkopen aan toeristen. Een hond die goed kan hoeden, kan ingezet worden als schapenhoeder in afgelegen gebieden. De pups die er dan minder schattig uitzien of minder goed hoeden, worden achtergelaten of gedood. Dat heet mooi ‘postzygotic culling by humans’. De schattige pup en goede hoeder groeien op en kunnen voortplanten, waardoor er langzaam en vrij per ongeluk een ras ontstaat.

Waar komen die wolven dan in beeld? Daar laat ik jou nog wat over denken.

De wetenschap rond honden is sterk evoluerend, en ieder nieuw inzicht moedigt ons aan om onze geest te verruimen. Als de hond, los van de wolf, zich als eigen diersoort heeft ontwikkeld naargelang zijn omgeving, dan stelt dat de manier waarop we de voorbije decennia met onze honden omgaan (vaak nog gebaseerd op onderzoeken op wolven in gevangenschap) sterk in vraag.

 

Bron: What is a dog?, Raymond Coppinger & Lorna Coppinger