Dun ijs

Door Ineke Vander Aa

In de gang staat hij, met ronde ogen vol verlangen.

‘Goed dan.’

Ik trek mijn thermisch ondergoed aan, mijn muts en Yellowstone-wanten.

De lucht is dun en koud. Kleine vlokjes prikkelen mijn wangen.

‘Voorzichtig’, zeg ik.

Geuren hebben kleuren en vormen vandaag. Het felle geel van het hondje op de hoek. De ovaaltjes van een konijn over het pad.

‘Voorzichtig!’ roep ik.

Krak. Een dun laagje ijs breekt en ik trek net op tijd mijn voet uit het water. Zwiep! Hij is net Bambi op het ijs. Grijnzend trippelt hij naar me terug.

Het voetpad is koud en de straat prikt. Een bries waait een ijzige mist van een wagen. Het kleeft in onze wimpers. We knipperen naar de grauwe lucht die tegelijk fel is. Alsof er een blauwige schijn in onze ogen priemt. Ondertussen stappen we.

Waar hij anders snuffelend langs me kuiert, snokt hij nu van struik naar paal.

‘Voorzichtig’, zeg ik.

Zwits! Mijn voeten schuiven en ik graai naar evenwicht. Zo belachelijk, die twee voeten! Had ik er maar vier! ‘Voorzichtig, zeg ik!’

Met een frons stap ik verder. Brede stappen op berekende plekken. Onderweg dwaalt de kapotte deur door mijn gedachten, die moet worden vervangen. De rekeningen die ik vanmorgen heb betaald. De poort die ik op een tweedehandssite zag. Onze oudste geit in haar stalletje vol stro. Hoe lang vriest het nog?

Zwiep, zwoesh! ‘Voorzichtig!’

Pets, zijn bil op het ijs. Kratsh kratsh, mijn voeten op de berm. Ik brom iets en met platte oren houdt hij zich in. Korte, stijve stappen zet hij nu.

‘Jij wilde gaan wandelen, he.’ Zodra ik het zeg, spreek ik mezelf tegen. Bij wie leg jij nu de verantwoordelijkheid? Jij kan de gevaren toch veel beter inschatten. Hij kan het niet helpen dat hij in een omgeving leeft waarin hij steeds aan die leiband moet. Die irritante, begrenzende leiband. Die snokkende zwep plets, ‘whoah!’.

Thuis lopen we meteen door naar de tuin. De andere honden volgen. Sneeuw vliegt op terwijl ze galopperen. Bruine kwakken pletsen op het wit.

Iemand knaagt aan een stuk ijs. Iemand anders snuffelt aan geuren met kleuren. Nog iemand legt zich neer alsof haar buik altijd op ijs ligt. Ik sta wat onhandig te wiebelen en veeg mijn neus droog.

Een geit mekkert vanuit zijn stal. Ik kijk naar hem om. Hij knippert met zijn lange wimpers.

‘Waar ben je?’ vraagt hij.

Dan pas voel ik het. Mijn opgetrokken schouders. Stijve buik. Oppervlakkige ademhaling. De frons die er nog steeds zit.

Dan pas zie ik het. De kalme lucht over de besneeuwde takken. De sereniteit ervan herinnert me aan haar. Haar gemis zit in mijn maag. Nog steeds.

Dan pas hoor ik het. Het zachte gesnuffel achter me. De enkele roep van een kraai. Een pimpelmeesje, ergens. Een glimp van Stilte.

Iemand leunt tegen mijn been. Zijn lichaam is warm tegen het mijne. Samen knipperen we naar gedachten in de lucht.

‘Hier,’ antwoord ik, ‘ik ben hier.’

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s